Annales Rodenses/1106 NL

Onderstaande tekst is een onderdeel uit de Annales Rodenses. Maak gebruik van het menu om andere delen van dit jaarboek van Rolduc te lezen. Het bewerken van de tekst leidt ertoe dat de oorspronkelijke tekst terug wordt gezet.
Algemeen

Handschrift Datering Analist Toelichtingen Restant Voetnoten

Nederlands

Inleiding 1104 1105 1106 1108 1109 1110 1111 1112 1113 1114 1115 1116 1117 1118 1119 1120 1121 1122 1123 1124 1125 1126 1127 1128 1129 1130 1131 1132 1133 1134 1135 1136 1137 1138 1139 1140 1141 1142 1143 1144 1145 1146 1147 1148 1149 1150 1151 1152 1153 1154 1155 1156 1157

Latijn

Inleiding 1104 1105 1106 1108 1109 1110 1111 1112 1113 1114 1115 1116 1117 1118 1119 1120 1121 1122 1123 1124 1125 1126 1127 1128 1129 1130 1131 1132 1133 1134 1135 1136 1137 1138 1139 1140 1141 1142 1143 1144 1145 1146 1147 1148 1149 1150 1151 1152 1153 1154 1155 1156 1157


In het derde jaar na zijn aankomst heeft hij een priesterkoor van steen gebouwd met een stenen gewelf, met de bedoeling de kloosterkerk geheel af te bouwen, wanneer de gelegenheid zich voordeed.240 In die dagen was het koren schaars en de bevolking leed erge honger, omdat de aarde geen vruchten voortbracht. De priester echter werd van het noodzakelijke voorzien door de graaf en hij kreeg van de aanzienlijken van de streek die naar hem toe waren gegaan, toen zij hoorden van zijn bidden en zijn gastvrijheid, een overvloed van allerlei zaken toegewezen. Hij echter heeft niets van deze gaven voor zich gereserveerd voor de toekomst, zolang er nog iemand was om gaven aan te nemen. Zelf liep hij dikwijls midden in de winter, terwijl alles bevroor door de kou, zonder mantel; die had hij aan de armen geschonken. Nooit immers zag men dat hij zijn vrijgevige hand van de armen heeft afgetrokken.

En omdat zijn goede naam zich ook verbreidde over andere delen van het land - dàt was pas een dienaar van God - kwam Koenraad, bisschop van Utrecht,241 naar hem toe. In een gesprek bleek dat hij hem van hier naar zijn eigen diocees wilde brengen, omdat de grond hier onvruchtbaar was en rechtens in het bezit der bewoners,242 en daarbij beloofde hij hem een groot en vruchtbaarder stuk land in het Utrechtse. Maar hij wilde niet van hier weggaan omdat hem elders grond beloofd werd. Deze Koenraad bouwde te Utrecht een kerk met een mooie vorm ter ere van de Heilige Maria;243 hij wilde het ontembare volk der Friezen tot de gebruikelijke gehoorzaamheid der christenen terugbrengen, maar zij beraamden een moordaanslag tegen hem en zonden iemand naar hem toe die zich voordeed als vredesgezant om huichelachtig voor hen barmhartigheid te vragen. Deze vroeg hem vergiffenis, stond op en doodde hem door verraderlijk een dolk in zijn buik te steken, en zo is de bisschop gekroond met de levenskroon.244

De priester Ailbertus was zeer nederig en muntte uit door deugdzaam leven; hij was waarheidsgetrouw in het spreken en ondernemend in het werken, vrijgevig in aalmoezen en zeer gul voor zijn gasten; constant hield hij nachtwaken en voortdurend was hij aan het vasten; hij was ijverig in het gebed en vroom in de dienst van God; onder de mensen viel hij op en bij al zijn daden was hij trouw en eerlijk. Zijn kleed echter was bescheiden, niet erg armoedig maar ook niet schitterend, strakker en korter dan de huidige dracht; het raakte nauwelijks zijn voeten. Het was hetzelfde kleed als vroeger de geestelijkheid droeg, toen de tucht nog streng was. Daaronder droeg hij op zijn lijf in plaats van een gewoon onderkleed altijd een geiteharen kleed. Ook schoenen droeg hij nooit, tenzij bij het vieren van de Heilige Dienst.245 Hij liep altijd blootsvoets omdat de winterse kou degene die bekleed is met de heilige liefde, niet deert. Hij volgde waarlijk het apostolische leven dat vader Augustinus ook zijn volgelingen als leefregel onderwees, dat wil zeggen dat hij de regel volgde van het gemeenschappelijk leven zoals men bij elkaar kwam in de tijd van de apostelen.246 En daarbij pakte hij alle werk met eigen handen aan, zoals - naar wij lezen - ook de heilige Paulus deed, en als bovenkleding gebruikte hij linnen dat ook de apostel Jacobus de Rechtvaardige gebruikte, de eerste bisschop van Jerusalem.247

En ook al leefde hij zelf zeer sober, zoals ook bleek uit zijn uitgemergeld lichaam, toch was hij voor anderen gul en tegenover iedereen altijd opgewekt en zeer vrijgevig; altijd even welwillend, waarbij hij steeds de helpende hand bood als iemand hem om iets vroeg, tenzij hij zelf goed noch geld meer had. Ook heeft hij nooit vlees of vet gegeten bij enige ziekte, en was hij altijd sober en spaarzaam om de kuisheid van ziel en lichaam te bewaren, omdat de mens nu eens door verlangen naar voedsel dan weer door een volle maag wankelt. En evenzo onthield hij zich van wijn en elke genotverschaffende drank, tenzij hij gasten had of door ziekte gedwongen enige drank gebruikte om aan te sterken. Daarom was het zeker een wonder dat de flauwe smaak van water dat hij altijd placht te drinken, tot drie keer toe in zijn handen de pittige smaak van wijn heeft gekregen. Want toen hij eens zo ernstig ziek was dat hij dacht te zullen sterven, vroeg hij een dienaar hem water uit de bron te brengen om er zijn brood in te dopen. Maar toen hem dit in een kom gebracht was, rook hij wijn en dacht dat dit natuurlijke wijn was; hij vroeg een tweede en derde keer, nadat telkens de drank was weggebracht, hem geen wijn maar water uit de bron te geven, en toen de dienaar hem onder ede verzekerde dat hij die drank wis en waarachtig telkens uit de bron had geput, dronk de man Gods hem en werd hij weer beter, waarbij hij de Heer van hemel en aarde dankzegde en loofde.

Verder was deze man zo vol medelijden en barmhartigheid bij het zien van de armoede van zijn naasten, dat nooit iemand met lege handen wegging als hij om iets vroeg: óf hij gaf hem enig geld of goed, óf hij sterkte hem met de troost van het goddelijke woord. Hij zei herhaaldelijk dat het God veel aangenamer was de behoeftigen te troosten en te verzorgen en vooral de geloofs- en huisgenoten, dan gebouwen op te richten die, wanneer ze oud zijn geworden, in elkaar zullen vallen, terwijl de zielen naar het beeld van God gevormd onsterfelijk zijn en altijd blijven leven. En hoewel hij in het uitdelen blijmoedig en vrijgevig was als een door de apostelen gezonden navolger van het apostolische leven,248 zag men toch zelden of nooit dat hij gebrek leed of helemaal niets meer had; immers de Verzorger en Heer van allen, Die hij diende, zorgde altijd voor hem en verstrekte hem alles wat hij nodig had. Daarom is het voldoende van de vele wonderen rond hem dit éne te vertellen, opdat de lezer niet door zo vele en zo grote wonderen aan het twijfelen wordt gebracht. Op zekere dag, toen de hongersnood overal steeds ernstiger en bitterder werd en er nergens meer levensmiddelen te koop waren en er op deze plek voor de gehele gemeenschap slechts drie broden beschikbaar waren, zijn gasten aangekomen en hebben de broden opgegeten, zodat de priester Gods die dag geen eten kreeg. Maar toen 's morgens vroeg de deur geopend werd, terwijl de dienaar Gods nog in gebed verzonken was, vond men voor de deur een wagen staan die volgeladen was met allerlei goederen. Ongetwijfeld is die hem van Godswege gebracht, daar de vrijgevigheid van goede mensen uitgeput was.

Nadat de graaf de vrije beschikking over een stuk land te Berenbroek verworven had en de bezitters toen door hem uitgekocht waren, droeg hij hem daar twee hoven [land] over, elk zestig morgen groot, met het recht op alle tienden. Daar bouwde de priester terstond een hoeve voor het klooster. Dit was de eerste van alle hoeven die gebouwd werden.249

Omdat Mathilde, de echtgenote van de graaf, Christus ook zeer toegewijd was, gaf ook zij hem een hove, en wel door de hand van de graaf. Dat land is gelegen tussen Meinweide en de Anstel,250 stroomopwaarts van Haanrade. Zij gaf het onder dezelfde bepalingen waaronder de graaf het bezeten had, dat wil zeggen zonder het recht op tienden, omdat deze rechtens niet van hem maar van een ministeriaal waren.

De graaf gaf hem verder zeven morgen land en een kleine hoeve met tiendrecht tussen Crombach en Kerkrade, en te Crombach alle tienden waar hij recht op had; te Spekholz251 gaf hij de tienden van zijn hoeve en alle andere tienden die hij in dit vrij-eigengoed bezat, uitgezonderd de levering van varkens en gevogelte, en wel omdat de man Gods die nooit at.

Hierna gaf hij hem een halve hove van het bos dat Meinweide wordt genoemd, en wel in het zuidelijk deel daarvan, waar dit het dichtst bij het klooster ligt, met dien verstande dat de inkomsten uit de varkens die daar overal tegen betaling eikels aten, hem rechtens volledig bleven toekomen, maar dat de varkens van het klooster overal mochten weiden krachtens eigen recht van het klooster. Tot dan toe was elk bos in deze parochie zo dicht dat geen kar daarin kon doordringen, tenzij over de openbare weg.

In die dagen woonde in Mayschoss een ministeriaal van de graaf, Embrico genaamd, een bekend, rijk en geacht man die een vrouw Adeleida en twee kinderen had, Heriman en Margareta. Hij hoorde ongetwijfeld wat over de priester werd gezegd, dat hij zo'n heilig leven leidde en dat zijn leefwijze niet vergeleken kon worden met die van anderen. Omdat hij door een goddelijke ingeving zijn leefwijze toch reeds wilde veranderen, kwam hij, nadat hij tegelijk met zijn bezittingen door de graaf uit de ministerialiteit was ontslagen, met zijn vrouw Adeleida en zijn kinderen Heriman en Margareta hierheen. Zijn bezittingen, horigen, akkers en wijngaarden schonk hij daarbij aan deze plek. De overdracht van dit alles aan het klooster geschiedde door de graaf.

Hieronder volgt een opsomming van de schenkingen die het klooster door zijn gift bezit: de hoeve te Ahrweiler die Gisenhoven wordt genoemd, met al haar bezittingen, akkers en wijngaarden en alles wat de horigen daar krachtens cijnsrecht bezitten; dit staat sindsdien ten dienste van deze plek en het klooster. Aldaar ook het achtste deel van de haver die de mensen die er wonen en die geen allodiale rechten hebben, aan de bezitter van de heerlijke rechten betalen voor het gebruik van het bos van dat dorp; en een molen stroomafwaarts van het omwalde deel van de plaats,252 waar ook de genoemde horigen verplicht zijn te laten malen. Te Lantershofen één cijnsplichtig leengoed; te Hemmessen twee cijnsplichtige leengoederen. De hoeve te Mayschoss253 met al haar bezittingen, akkers en wijngaarden en alles wat de horigen daar krachtens cijnsrecht bezitten; dit staat sindsdien ten dienste van deze plek en het klooster. Ook de kapel die daar ligt, was eigendom van Embrico, omdat die door zijn vader gebouwd was, maar zij is dit klooster op listige wijze ontnomen door de priester Godfried, toen deze plek254 gebukt ging onder tweedracht. De kapel is rond het jaar 1134 verloren gegaan.255 Nentrode met bezittingen en horigen; 'Gysenrode' met bebouwd en onbebouwd land en een bosje; en te 'Colburne' een stukje cijnsplichtig land. Te Esch de hoeve die Roth wordt genoemd, met landbouwgrond en enig bos, en stroomafwaarts daarvan land, Walporzheim genaamd; ook aldaar een cijnsplichtige hove. Te Dernau één cijnsplichtige hove; te Dorweiler drie schellingen en zes penningen; te Scheuren vijfeneenhalve malder tarwe.

Dit alles bezat hij tot dan toe krachtens wereldlijk recht en in beide hoeven256 hield hij de rechtshoogheid in leen van de graaf onder eigen bestuursgezag; rechtshoogheid en bestuursmacht droeg hij tegelijk met zijn erfgoed aan het klooster over. Zijn vrouw Adeleida echter, uit een adellijk geslacht stammend, was kloosterlinge geweest in een vrouwenklooster, maar toen zij daaruit was weggevoerd en in het huwelijk trad, is zij door haar ouders geheel onterfd; alleen een halve hove te Lich werd haar gelaten. Deze droeg zij van haar kant aan het klooster over.

Toen Embrico dan op deze plek was gekomen en hij meteen de belofte gedaan had bij de priester Gods te blijven, heeft hij het priesterkoor dat door de priester gebouwd was, afgebroken met de bedoeling spoedig met de bouw van een grotere kloosterkerk257 te beginnen en - als hij kon - te voltooien. Toen het koor dan was afgebroken, bouwden de priester en broeder Embrico op dezelfde plek een crypte, waarbij zij de fundamenten legden voor een kerk volgens de Longobardische opzet.258 Blijkbaar wisten zij niet hoe zij de ruimte moesten indelen en de kerk bestemmen voor een grote groep mensen die daar bijeen moesten komen. Daarom is dat gebouw tot nu toe voor de bewoners ongerieflijk en niet aangepast aan kloosterlingen [die koorgebed verrichten].259