Annales Rodenses/1140 NL

Onderstaande tekst is een onderdeel uit de Annales Rodenses. Maak gebruik van het menu om andere delen van dit jaarboek van Rolduc te lezen. Het bewerken van de tekst leidt ertoe dat de oorspronkelijke tekst terug wordt gezet.
Algemeen

Handschrift Datering Analist Toelichtingen Restant Voetnoten

Nederlands

Inleiding 1104 1105 1106 1108 1109 1110 1111 1112 1113 1114 1115 1116 1117 1118 1119 1120 1121 1122 1123 1124 1125 1126 1127 1128 1129 1130 1131 1132 1133 1134 1135 1136 1137 1138 1139 1140 1141 1142 1143 1144 1145 1146 1147 1148 1149 1150 1151 1152 1153 1154 1155 1156 1157

Latijn

Inleiding 1104 1105 1106 1108 1109 1110 1111 1112 1113 1114 1115 1116 1117 1118 1119 1120 1121 1122 1123 1124 1125 1126 1127 1128 1129 1130 1131 1132 1133 1134 1135 1136 1137 1138 1139 1140 1141 1142 1143 1144 1145 1146 1147 1148 1149 1150 1151 1152 1153 1154 1155 1156 1157


Toen in het jaar van de menswording des Heren 1140 te Arula het oostelijk gedeelte van de kerk aldaar klaar was met de beide transeptarmen en vooral een passende verscheidenheid aan woon- en werkvertrekken gereed was, waar de zusters ondergebracht moesten worden, bracht Johannes, de overste van dit klooster, hen daarheen over, zevenendertig in totaal. Deze stichting werd door allen geprezen en er werden oorkonden opgemaakt door de twee bisschoppen Albero en Arnold en door hen bezegeld.413 Daarin staat dat die plek eigendom blijft van dit klooster, dat de zusters de overste hier in alles moeten gehoorzamen, dat zij noch intern noch extern enige functie mogen instellen of wijzigen, of een akte mogen bekrachtigen, hetgeen tot de bevoegdheid van de broeders behoort; maar dat deze overste bevoegd blijft alle zaken te regelen, die althans krachtens een gemeenschappelijk besluit van de broeders moeten gedaan worden en moeten vaststaan. De zusters dan die overgebracht en geplaatst zijn in het voornoemde dal, dat nu Marienthal wordt genoemd, moeten daar God dienen onder dezelfde regel en met dezelfde leefwijze als het klooster te Rode en zij kunnen daar niet eigenmachtig iets aan toevoegen of iets schrappen.

Toen wees Johannes hen de akkers en wijngaarden toe die kort te voren reeds door Borno voor hen waren bestemd; niet om deze goederen volledig van dit klooster te scheiden, waarvan zij eigendom en bezit blijven, maar om voorlopig daarmee in hun levensonderhoud te voorzien. De namen van deze goederen volgen nu: de hoeve te Mayschoss met de horigen, en de akkers en wijngaarden; Nentrode met het daarbij behorend bezit en de horigen; Gisenrode met zijn akkerland; de hoeve te Esch die Roth wordt genoemd met zijn akkerland en een cijnsplichtige hove aldaar; te Burnen een halve cijnsplichtige hove; te Mariaweiler [een cijns van] zeven Keulse schellingen, min twee penningen; te Gudolfrothe [een cijns van] zeven schellingen en vier penningen in Keulse munt; te Friesheim [een cijns van] vier Keulse schellingen, min twee penningen; te Wanlo een molen [met een cijns van] tien schellingen en drie obolen in Keulse munt.414

Toen kreeg deze plek weer de vrije beschikking over de hoeve Crombach en de parochiekerk van Kerkrade, die tot dan toe in het onderhoud van de zusters voorzien hadden. Toen de zusters in dat dal geplaatst waren, vielen zij Johannes lastig over een wijngaard die aan de linkerzijde van de uitgang van dat dal lag en tegen de berghelling hing, omdat hij zo dichtbij en zo geschikt voor hen was. Na beraadslaging met de ouderen stond hij hen die wijngaard af; in ruil daarvoor werd [de cijns van] tien schellingen en drie obolen van de molen te Wanlo aan dit klooster teruggegeven, ofschoon die wijngaard ongetwijfeld meer waard was.

Nadat Johannes intussen overleg gepleegd had over de parochiekerk van Kerkrade, omdat die hun eigendom was en kerk en klooster in dezelfde parochie lagen, overtuigde hij de aartsdiaken gemakkelijk [met dezelfde argumenten] en ontving van hem de kerk.415 Hij deed dit om te voorkomen dat er weer onenigheid zou ontstaan tussen een pastoor die van elders daar geplaatst was, en de overste van dit klooster. Hij plaatste er een van de priesters uit het klooster om de goddelijke diensten te verrichten, stellig van mening dat die regeling ook voor zijn opvolgers zou gelden.416 Paltsgraaf Willem stierf; hij had geen erfgenaam om hem op te volgen.417