Arbeidsinzet

Rayons verzet districtheerlen.jpg

Gebeurtenis,

Nationaal

In het voorjaar van 1943, gedurende de Tweede Wereldoorlog groeit het verzet tegen tewerkstelling in Duitsland door Nederlandse jongens en mannen. Op 16 mei 1943 schrijven de Nederlandse bisschoppen een brief aan Arthur Seyss-Inquart waarin zij stelling nemen tegen de gang van zaken zoals die zich voordoen. De passsage zoals die hieronder is weergegeven is afkomstig uit het boek: Kerkrade en de Tweede Wereldoorlog. De openlijke stellingname tegen de ideeën van de bezetter is aanleiding tot het opstarten van het georganiseerde verzet.

Beminde Geloovigen,
Het bittere leed en de angstige zorg, waaronder zoovelen gebukt gaan ten gevolge van de harde maatregelen, die de bezettende macht vooral in den laatsten tijd genomen heeft, nopen Ons tot een woord van deelneming en medeleven. Wij zijn van het diepste medelijden vervuld met de talloozen, die zoo groote en bittere kwellingen moeten doorstaan. Maar Wij zouden in Onza taak tekort schieten, indien Wij niet in het openbaar Onze stem verhieven tegen het onrecht dat aan zoovelen van ons volk geschiedt.
Daarom hebben wij heden tezamen met de voornaamste andere Kerkgenootschappeneen schrijven gericht aan den heer Rijkscommissaris van den volgenden inhoud:
De Protestantse Kerken en de Roomsch-Katholieke Kerkr in Nederland gevoelen zich genoopt zich nog eenmaal met diepen ernst tot U te richten, Heer Rijkscommissaris. Zij hebben zich meermalen tot U gewend met ernstig beklag over de voortschrijding van het onrecht tegenover het Nederlandsche volk, waardoor ook de Kerken zich diep getroffen gevoelen. Zooals zij het tegenover U uitspraken hebben zij, krachtens de haar van Christus' wege opgelegde roeping, haar stem doen horen, wanneer in het openbare leven de in het Evangelie verankerde beginselen worden aangetast. Zij noemen in het bijzonder die beginselen, welke de grondslagen uitmaken van ons Christelijk volksleven: gerechtigheid, barmhartigheid en vrijheid van levensovertuiging. Zij moeten getuigen, dat ook de Machthebbers onderworpen zijn aan de Goddelijke Wet en zich hebben t eonthouden van daden, welke door die Wet worden veroordeeld. De Kerken staan schuldig, wanneer zij in gebreke zouden blijven de Machthebbers te wijzen op de door hen bij hun machtsoefening begane zonden en zouden nalaten te waarschuwen voor het oordeel Gods.
De Kerken hebben reeds gewezen op:
  • De toenemende rechteloosheid;
  • Het ten doode vervolgen van Joodsche medeburgers;
  • Het opdringen van eene levens- en wereldbeschouwing, die lijnrecht in strijd is met het Evangelie van Jezus Christus;
  • Den verplichten arbeidsdienst als nationaal-socialistisch opvoedingsinstituut;
  • Het aantasten van de vrijheid van het Christelijk onderwijs;
  • Het gedwongen tewerkstellen van NEderlandsche arbeiders in Duitschland;
  • Het ter dood brengen van gijzelaars;
  • Het gevangen nemen en het gevangen houden van velen, onder andere van kerkelijke ambtsdragers onder zoodanige omstandigheden, dat reeds een ontstellend aantal in concentratiekampen het offer van hun leven moesten brengen.
Thans is daarbij gekomen het als slaven opjagen, grijpen en wegvoeren van duizenden jonge menschen. Door al deze handelingen is in toenemende mate het recht Gods geschonden. De Kerken prediken tegen haat en wraakzucht in het hart van ons volk en verheffen hun stem tegen uitingen daarvan. Niemand mag, naar het woord Gods, eigen rechter zijn. Maar evenzeer hebben zij de roepeing ook dit woord van GOds te prediken: 'Gij zult Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen'. Dit woord geldt als richtsnoer bij alle gewetensconflicten, ook bij die, welke door de genomen maatregelen zijn opgeroepen.
Om der wille van recht Gods mag door niemand eenige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor mede-schuldig maakt aan dat onrecht. Heer Rijkscommissaris, het is in gehoorzaamheid aan haren Heer, dat de Kerken dit woord tot U richten; zij bidden tot God, dat Hij U in Zijn weg moge leiden tot herstel van het zoo ernstig geschonden recht in de Machtsuitoefening.
Tot zoover het gemeenschappelijk schrijven aan den heer Rijkscommissaris.
Gegeven te Utrecht, den 17den Februari van het jaar O.H. 1943.
Dr. J. de Jong, Aartsbisschop van Utrecht
Dr. J.H.,G. Lemmens, Bisschop van Roermond
W.P.A.M. Mutsaerts, Bisschop-Coadjutor van 's-Hertogenbosch
P.A.W. Hopmans, Bisschop van Breda
J.P. Huibers, Bisschop van Haarlem

Lokaal

Oproep-arbeidseinzats.jpg

Een voorbeeld van lokale Arbeitseinsatz.