Avonturen in het land van Rode/Ailbertus, de stichter van kloosterkade

Avonturen in het land van Rode




2 Ailbertus, de stichter van kloosterkade Op voorstel van vader werd eerst een oud Duits kerstlied gezongen. Hannes, die altijd een goed zanger was geweest, wilde nog een kerstlied zingen, dat hij van een Hollands soldenier geleerd had. Hoe vaak hadden zij dat niet samen gezongen, als zij de Kerstdagen in het koude bivak doorbrachten. ‘Nou als je niet te moe bent, Hannes, willen we graag luisteren,’ zei vader Doveren.

‘Dat zal wel gaan, Joep. Wij zijn wat gewend, hoor!’ Hannes ging recht zitten en zong met prachtig heldere stem:

Nu syt wellecome, Jesu, lieven Heer,

Ghy komt van alsoo hooghe, van alsoo veer.

Nu syt wellecome van den hooghen Hemel neer.

Hier al in dit aerdryk syt ghy ghesien noyt meer.

Kyrieleys.


d'Herders op den velde, hoorden een nieuw lied,

Dat Jesus was gheboren, sy wisten 't niet:

Gaet aen gheender straeten en ghy sultet vinden klaer.

Bethlem is de stede, daer 't is gheschiedt voorwaer.

Kyrieleys.


d'Heylighe drie Koonighen uyt soo verren landt,

Sy sochten onsen Heere met offerhand:

Se offerden ootmoedelyck Myrrh', Wieroock en Goudt,

't Eeren van dat Kindje, dat alle ding behoudt.

Kyrieleys.

Aandachtig luisterden de aanwezigen en toen het lied ten einde was, keken allen, ontroerd door die schone melodie, naar den zanger. ‘Wat is dat mooi, zwager,’ zei moeder zacht. ‘Dat moet je ons ook leren.’ Glimlachend keek Hannes op en beloofde het te zullen doen.

‘Laat Hannes nu met rust,’ zei vader. ‘Ik ga vertellen. Luister!’

Heel lang geleden woonde op een kasteel in de buurt van de vesting Antoing op de linker oever van de Schelde, een vroom edelman. Hij heette Amorricus. Een van zijn zoons, Ailbertus, had van God bijzondere gaven naar geest en hart ontvangen. Toen deze voldoende onderwezen was, werd hij student aan de stiftschool van Doornik, waar Ailbertus in de wetenschap uitblonk en de titel van Magister verwierf.

[p. 9] Na zijn priesterwijding werd hij leraar aan de hogeschool en van heinde en verre kwamen leerlingen om zijn lessen bij te wonen. Maar dat was den jongen geestelijke, die de gelofte gedaan had zich terug te trekken uit deze wereld, niet naar de zin. Hij besloot zijn vaderland te verlaten. Ailbertus vastte streng. Op zekere nacht, toen hij in gebed verzonken was, openbaarde God hem in een visioen, waar Hij wilde, dat Ailbertus een kerk en klooster te zijner eer zou bouwen. De plek, die den Man Gods getoond werd, is dezelfde, waar wij vannacht ons Kerstfeest gevierd hebben.

Hij bouwde nog een kerk en een klooster in Doornik en verdeelde daarna al zijn goederen onder de armen.

Vertrouwend op de Allerheiligste Drievuldigheid verliet Ailbertus het land zijner vaderen, vergezeld van zijn beide broeders, Theymo en Walgerus. Buiten de stad stonden zij stil om te overleggen, welke richting zij zouden inslaan. Ailbertus sprak: ‘Wij moeten een woeste plek zoeken tussen Maas en Rijn, waar wij samen een klooster bouwen om den Heer te dienen.’

Met z'n drieën oostwaarts stappend door het eenzame Kempenland, door bossen en over paarse heidevelden, bereikten zij, na een dagenlange tocht, het heilige Maastricht. Eerbiedig gingen de Trichtenaars opzij voor die onbekende pelgrims, die zich naar de Sint Servaaskerk begaven, om een ogenblik te bidden bij het graf van den eersten bisschop van Maastricht. Diezelfde dag nog verlieten zij de stad en zochten langs de beide oevers naar de plaats, waar Ailbertus het klooster moest bouwen. Ze vonden ze niet en stapten dus weer verder in oostelijke richting. De loop van de Geul volgend, kwamen zij in het Land van Valkenburg en vandaar leidde hun weg over Heerlen naar het Land van Rode. Op een heuveltop lag de burcht en aan de voet in het dal van de Worm het stadje 's Hertogenrade. Hier woonde in die tijd graaf Adelbert van Saffenburg, die niet lang voor Ailbertus' komst er zijn intrek genomen had.

  • * *

Op een zonnige Octobermorgen daalde een lange kleurige stoet de helling af, waarop het kasteel lag. Voorop de drijvers met de jachthonden en daarachter gezeten op hun vurige paarden de slotheer en een tiental edellieden uit de omtrek. Hartsvanger, jachtmes, pijl en boog waren hun wapens. Over een houten brug passeerden zij de Worm. Uit het luid geblaf bleek al spoedig, dat de honden zich in de bossen op de heuvels verspreidden. De [p. 10] jachthoorn schalde en de jagers achtervolgden de pijlsnel vluchtende reeën.

In de namiddag verzamelden zich de jagers in de buurt van Kohlscheid. Zij hadden een goede jacht gehad. Vier knechts torsten twee zware reebokken. Op de terugweg naar het kasteel ontmoette de graaf, als door een beschikking van God, Ailbertus en zijn gezellen in de buurt van Kohlberg. Ailbertus trad op den graaf, die zijn paard inhield, toe en vertelde hem het doel van zijn tocht.

Welwillend stond Adelbert den vromen pelgrim toe zijn land te doorzoeken naar die plek en beloofde hem naar vermogen te helpen, als hij mocht slagen. De drie broeders doorkruisten het land van Rode in alle richtingen. Zij kwamen op een vlak terrein ten Westen van het kasteel, waar Ailbertus plotseling staan bleef. Dit was de plaats, die hij in zijn visioen gezien had. Rondom stonden zware berken en aan de voet borrelde op twee plaatsen helder water uit de grond. Ailbertus deed enige stappen naar voren en viel, God dankend, plat ter aarde. Theymo en Walgerus hoorden toen klokkengelui. 't Scheen van onder de bodem te komen. Zij begrepen, dat zij de door God

illustratie

uitverkoren plek gevonden hadden. Waar Ailbertus den Almachtige dankte, bevindt zich nu het priesterkoor, waar Vader Abt de nachtmis las. Nauwkeurig onderzochten zij de omgeving. Tot hun grote tevredenheid constateerden zij, dat een rivier op korte afstand stroomde. De bossen waren rijk aan hout en niet ver verwijderd ontdekten zij steengroeven, die uitstekend materiaal voor de bouw zouden leveren. De grond was vruchtbaar. Hier wilde Ailbertus blijven om het bevel van God uit te voeren. De stichter klopte daarna aan de burchtpoort. Een dienstknecht deed open en bracht den bezoeker bij den graaf in de kleine zaal, waar Adelbert zijn gast met eerbied ontving en hem een met rood stof beklede

[p. 11] zetel aanbood. Ailbertus nam plaats en sprak:

‘Heer, ik heb de plek gevonden. Hier, vanuit het raam kunt U de hoogte zien. Daarboven, aan de overzijde van die kleine vallei is het, waar God zijn bedehuis wil hebben. Van uwe goedheid hangt het nu af, of ik mijn opdracht ten uitvoer kan brengen.’ ‘Eerwaarde, gaarne wil ik U ter wille zijn. Maar het klooster ligt dan zo kort bij het kasteel. U weet, dat het hier dikwijls zeer druk is. Zou die luidruchtigheid de stille vrede niet verstoren? Verderop langs de Worm ligt een terrein, waar U en uwe gezellen zich ongehinderd aan de dienst van God kunnen wijden. Bouw daar uw klooster.’ ‘Neen Heer, daar boven ligt de plaats mij door God aangewezen.’

‘Welaan dan, Eerwaarde, het zij, zoals U verlangt. Voor de dienst van God en tot zijn meerdere eer schenk ik U het land gelegen tussen de beide bronnen en de daaruit stromende beken. Alle bossen, weilanden en akkers tussen de weg in het Westen en de rivier in het Oosten behoren tot het klooster, dat U gaat stichten.’ Ailbertus stond op, dankte den graaf en zegende zijn huis. Adelbert deed hem uitgeleide tot aan de slotpoort.

In de late herfst van het jaar 1104, toen de eerste stormvlagen over het Limburgse land bruisten, legden Ailbertus, Theymo en Walgerus de grondslagen voor de houten woning. Ze kapten zelf het hout in de bossen, zaagden planken en timmerden een eenvoudige kluis. Het was zwoegen. Maar gehard als zij waren, schrokken ze voor geen moeilijkheid of last terug. Naast hun woning verrees een eenvoudige kapel, waar Ailbertus dagelijks het Heilig Misoffer opdroeg en hij God dankte voor de zichtbare hulp en bijstand, welke hij ondervonden had. De vestiging van de drie monniken was spoedig bekend in heel de omtrek. De mensen kwamen naar het klooster om raad en hulp te vragen bij den vromen stichter, zodat de faam van zijn heilig leven zich steeds verder verbreidde.

In die tijd was Conradus bisschop van Utrecht. Op een van zijn reizen naar deze streken hoorde hij van het nieuwe klooster en bezocht toen ook Kloosterrade. Ailbertus, die den kerkvorst met grote eerbied ontving, leidde hem binnen in zijn schamele kerk. Conradus verzocht de drie monniken deze plaats te verlaten en met hem mee te gaan naar zijn bisdom, waar hij hun nog meer landerijen en nog vruchtbaarder grond ter beschikking wilde stellen. Maar Ailbertus weigerde beslist. God had hem bevolen hier te wonen. Geen rijkdom of wat dan ook kon hem bewegen dit oord te verlaten.

Het stamslot van den graaf van Saffenberg, den heer van Rode, lag aan de Ahr, een zijrivier van de Rijn. Daar verhief zich [p. 12] de trotse Saffenburg hoog boven op een rots en beheerste het gehele dal.

In de buurt van het Ahrdorpje Meinscozen woonde Embrico, een vazal van graaf Adelbert. Die man wilde zijn leven aan God wijden door zich terug te trekken in de eenzaamheid van een klooster. Op de Saffenburg hoorde hij van het heilige leven van Ailbertus, die het klooster nabij 's Hertogenrade gesticht had. Tot hem voelde hij zich aangetrokken. Vrouwe Adelheid had dezelfde plannen als Embrico en hun beide kinderen, Herman en Margaretha, wilden eveneens kloosterlingen worden. Samen reisden vader en zoon naar Kloosterrade en verzochten nederig om te worden opgenomen. Ailbertus nam beiden aan. Hun akkers en wijngaarden in het Ahrdal schonken zij aan het klooster.

Embrico had allerlei plannen, die hij uitvoerig met Ailbertus besprak. Er moesten op de eerste plaats stenen gebouwen komen. Na rijp beraad besloot de priester daartoe. Samen braken zij de houten kapel af, bouwden op dezelfde plaats de crypte of onderkerk en legden de grondslagen voor het klooster. In het jaar 1108 waren ze daarmee klaar. Ailbertus zond een bode naar den bisschop van Luik met het nederige verzoek naar Rode te komen, om de plaats voor het klooster en de nieuwgebouwde crypte te wijden.

Obbertus van Luik voldeed aan het verzoek en arriveerde op twaalf December in Kloosterrade. Ailbertus trad naar buiten en kuste de ring van den bisschop. Hij leidde zijn hogen gast rond en was zeer verheugd, dat Obbertus al zijn plannen goedkeurde. Zij betraden het houten woonhuis, waar de bisschop een eenvoudig maal met de bewoners gebruikte. De volgende morgen, dertien December, vond de wijding plaats. Obbertus had plaatsgenomen op een zetel voor het altaar. Twee edellieden in goud bestikte mantels traden toen de crypte binnen. Het waren graaf Adelbert en zijn zoon Adolf, die op de onderste altaartrede voor den bisschop neerknielden en openlijk afstand deden van de plaats en alle goederen, welke zij aan het klooster gegeven hadden. Een oorkonde met het grafelijk zegel, die deze schenking ten eeuwigen dage bevestigde, reikten zij over aan den Luiksen bisschop.

Obbertus verhief zich daarna van zijn zetel en wijdde het klooster van Rode en de crypte toe aan de Heilige Moeder Maria en den Heiligen Aartsengel Gabriël. - - - Aan de kloosterpoort kwamen veel mensen, die gebrek leden tengevolge van de slechte tijden. Ailbertus zond niemand terug. Hij gaf alles weg, iets waar Embrico voortdurend tegen sputterde. Op zekere dag ging hij naar Ailbertus en zei: ‘Vader, als U altijd maar alles uitdeelt aan de armen, dan [p. 13] zullen wij onze plannen niet kunnen uitvoeren.’


illustratie Het zegel van de abdij


‘Beste Embrico, God is onze hulp. Alles, wat we maar verlangden, hebben we gekregen en meer dan dat, want we kunnen anderen, die minder hebben, zelfs in ruime mate helpen.’ ‘En toch loopt dat een keer spaak, Vader! We moeten daarmee ophouden en alle inkomsten zuinig beheren ten bate van ons klooster.’

‘Embrico, gij hebt niet genoeg vertrouwen. Wij worden er heus niet armer van. Niemand zal ik ooit ongetroost van onze deur wegzenden!’ ‘En ik wil, Vader, dat we alles, wat we hebben, behouden, anders komen we nooit verder!’

Embrico wilde niet luisteren. Ailbertus zag in, dat hij niet meer met hem kon samenwerken. Hij dacht ook aan al de goederen, welke Embrico aan het klooster geschonken had en hij wilde daarom geen sta-in-de-weg voor hem zijn. Op een morgen stond de stichter van Kloosterrade in de kleine refter met de reisstaf in de hand om afscheid te nemen. Hij spoorde de broeders nog eens aan, steeds eendrachtig samen te werken en vertrok.

Waar ging hij heen? Ailbertus wist het zelf niet. God zou zijn schreden wel leiden. Voor Kloosterrade was zijn vertrek een ramp. Het ene ongeluk kwam na het andere. Embrico, die nu meende spoedig met het werk te kunnen beginnen, ondervond allerlei moeilijkheden. De bouw van de kerk was gestaakt, sinds Ailbertus vertrokken was. Door God geleid kwam Ailbertus in Gallië, waar hij het klooster Clairefontaine stichtte. Hij verbleef daar tot het jaar 1122. Toen besloot hij een bezoek te brengen aan zijn vrienden in onze streek.

Te voet langs de Rijn noordwaarts reizend, klopte hij op een avond aan bij een deftig huis en vroeg om onderdak. Gelijk met hem klom een man de stoep op, die, naar zijn uiterlijk te oordelen, ook een pelgrim was. Hij was gehuld in een schapenvacht en leunde op zijn palster. In werkelijkheid was dat een rover, die op zo'n manier probeerde zijn slag te slaan. De deur ging open. Beiden traden binnen en werden vriendelijk ontvangen door den heer, die hun een goed maal liet brengen.

[p. 14]

De heer meende, dat die pelgrim bij Ailbertus hoorde en Ailbertus dacht, dat het een bekende van zijn gastheer was. De volgende morgen ging de stichter van Kloosterrade al vroeg naar de veraf gelegen kerk om mis te lezen. Ondertussen was die vreemdeling ook te voorschijn gekomen en zei tegen den heer: ‘Geef mij uw paard, dan kan ik den priester afhalen bij de kerk, want hij was gisteren zeer vermoeid van de lange reis.’ ‘Gaarne, beste man, ga en neem een paard.’ De rover, die intussen nog kans gezien had een paar kledingstukken te stelen, ging naar de stal, zadelde een paard en verdween. Ailbertus keerde terug en toen ontdekte men de diefstal. De heer was verontwaardigd. Hij beschuldigde den onthutsten priester van medeplichtigheid en bracht hem voor het gerecht. De rechter zei tegen Ailbertus:

‘U wist heel goed, wie bij U was! U heeft de gastvrijheid met voeten getreden en zult uw straf niet ontgaan.’ ‘Ik ben onschuldig en meende, dat de man, die gelijk met mij naar binnen ging, een kennis van mijn gastheer was. Ik zag dien man voor de eerste keer.’ ‘Ons kunt U niet bedriegen. U is medeplichtig aan de misdaad en ik veroordeel U ter dood.’ De gerechtsdienaars grepen Ailbertus en sleepten hem naar de strafplaats. Kalm en rustig biddend stond de veroordeelde onder de galg. De menigte rond de galgenheuvel hield zich doodstil. Plotseling kwam er een paard aanhollen. Op de rug van het dier, dat erg mak was en tussen de mensen staan bleef, was een bundel kleren vastgebonden. Allen riepen met verbazing: ‘Het gestolen paard! Het gestolen paard!’

Nu bleek zonneklaar, dat Ailbertus onschuldig was. Zijn gastheer kwam naar hem toe, viel op zijn knieën en vroeg om vergiffenis. Albertus deed hem opstaan en vergaf hem van harte de fout, welke hij begaan had. Hij zegende de knielende toeschouwers en verliet daarna onmiddellijk de stad. Nu reisde hij naar de Saffenburg aan de Ahr. Daar immers woonde zijn vriend, graaf Adolf, op het vaderlijk slot. De graaf, die zeer blij was met het bezoek van Ailbertus, vertelde van Rode, van de tegenslag, waarmee ze daar te kampen hadden. De stichter maakte zich zorgen. Daarom nam hij spoedig afscheid, want hij wilde nu zo vlug mogelijk naar de broeders in Kloosterrade.

Hij bereikte het dorpje Sechtem in de buurt van Bonn, waar hem een zware ziekte overviel. Ailbertus voelde zijn einde naderen [p. 15] en overleed, kort nadat de pastoor van Sechtem hem de Heilige Teerspijze gereikt had. Zijn wens, om in Rode begraven te worden, werd niet vervuld. De bewoners van Sechtem brachten het lijk in de kleine kerk. Na een plechtige lijkdienst werd het stoffelijk overschot in de grafkelder van de kerk bijgezet.’ Vader zweeg. Een tijdje bleef het stil in de schemerige keuken. De wind huilde in de schouw. Het vuur knetterde en kleine vonkjes spatten omhoog. Hannes, die door de warmte last van slaap had gekregen, zat te knikkebollen.

Moeder stond op en zei: ‘Dat was een prachtig verhaal, vader. Maar nu gaan we toch naar bed, want het is zeker al middernacht voorbij.’ Zij schudde haar zwager aan de arm.

‘Kom, Hannes!’ Joep brengt je naar de paardenstal. Er is nog een bed vrij. Erpo, onze paardenknecht, slaapt daar ook en kan je met een en ander behulpzaam zijn.’ Kort daarna werden alle lichten gedoofd. Zwak hoorde men, meegedragen door de Oostenwind, de hoornstoten van den nachtwacht in Kerkrade.