Avonturen in het land van Rode/Alles mislukt

Avonturen in het land van Rode




12 Alles mislukt

Na het ontbijt begon het werk weer als alle dagen. Most droeg het gereedschap en een emmer specie, terwijl Nand de nieuwe sluitsteen torste. Het laddertje stond nog op de zelfde plaats en Nand klom met zijn vracht naar boven. Hij stond goed en wel op de planken en wilde zijn last zachtjes neerzetten, toen een gekraak en een hevig lawaai de stille ruimte vulden. De steiger stortte in en Nand, die niet wist, wat hem overkwam, raakte bekneld tussen het hout en schreeuwde om hulp. De steenhouwer stond sprakeloos te kijken, maar herstelde zich weer gauw en schoot toe om den jongen te helpen. Hij moest eerst verschillende planken wegruimen en één zelfs doorzagen, anders was Nand er niet tussen uit te krijgen.

Eindelijk gelukte het Most den jongen te bevrijden en hij zette hem neer in een kerkbank. Nand, die wit was van schrik, mankeerde wonder boven wonder verder niets. Most stond voor zijn helper en was erg opgewonden.

‘Maar, Nand, wat heb je gebouwd? Als ik er zelf ook niet bij bent!... Je beweerde gisteren nog, dat je het zo prima kon, waar ik nu niets meer van geloof. Kijk eens, het had een ramp kunnen worden. In het vervolg doe ik het zelf en dan moet jij maar eens goed uit je ogen kijken. Begrepen!’

‘Ik heb het goed gedaan, Most. Thuis heb ik oefening genoeg gehad. Ik weet zeker, dat de steiger sterk genoeg was. Trouwens ik stond er op gisteravond en wiebelde er mee, wat je met eigen ogen gezien hebt. Dus van nalatigheid mag je me niet beschuldigen, Most,’ weerde Nand zich.

‘Dat is wel waar, jongen, wat je daar zegt. Maar dan vraag ik me af, hoe dit nu kon gebeuren? Kom, laten we er niet meer over praten en ruimen we de boel op om een nieuwe stellage te bouwen.’

Nand pakte dadelijk weer mee aan.

Zonder dat zij er iets van merkten, ging de kerkdeur open en weer dicht. Het was Baltus, die even naar binnen keek.

‘Mislukt,’ bromde hij binnensmonds. ‘Die vlegel heeft ook nog alle geluk. Dan maar een volgende gelegenheid te baat nemen. Los laat ik je niet, Nandje!’

Most, die de gebroken stukken touw aandachtig bekeek, viel het op, dat die einden gedeeltelijk doorgesneden waren. Hij wenkte Nand en toonde hem de uiteinden. Deze bekeek ze nauwkeurig en moest toegeven, dat het een verdacht geval was. Maar wie zou hier met een mes geweest zijn? Dwaasheid! Een vreemde, raadselachtige kwestie bleef het echter.

De prior, die even later binnen kwam, snapte er ook niets van. De gedachte aan boos opzet verwierp hij. Wie zou zoiets

[p. 63]


durven doen en bovendien was er niemand in het klooster, die Nand of Most een kwaad hart toedroeg. Dat wist hij zeker.

De prior vertrok weer en het tweetal werkte verder aan de bouw van de nieuwe steiger, die een uurtje later klaar was. Zij metselden de steen in de boog en konden weer beginnen met het afbreken. Net bracht Nand de laatste planken op de plaats, toen Baltus langs kwam.

‘Ho, Baltus, daar hebben we geluk gehad!’

‘Hoe dat, Nand?’

‘Man, de steiger stortte in elkaar, toen ik er op stond. Ik ben er gelukkig met de schrik afgekomen.’

‘Maar, hoe kon dat, Nand? Had je de touwen niet goed vastgebonden?’

‘Jawel, Baltus. Alles was in orde. Ik snap er eerlijk gezegd niets van. We bekeken de touwen 'ns goed en het was precies, of ze tot op de helft doorgesneden waren.’

‘Och, kom nou, wie zou zoiets wagen? Dat kán toch niet.’

‘Wij kunnen het ons ook niet voorstellen en de prior houdt het voor onmogelijk. Maar toch vertoonden de gescheurde touwen zoiets als een snee!’

‘Kom, jongen, ik moet gaan. Voor den abt moet ik een boodschap doen. Dan mag ik naar huis en hoef pas morgenmiddag weer terug te zijn. Fijn, hé?’ zei Baltus heel luchtig. Met de hand zwaaiend ging hij weg.

Baltus moest naar Kohlberg en den koolschrijver Krutwig vragen bij den abt te komen. In het kantoortje van den schrijver was het lekker warm. Baltus, die al meermalen bij Krutwig geweest was om kolen te kopen, pakte een stoel, ging er op zitten en hield zijn verkleumde handen boven het vuur.

‘En Baltus, wat breng jij voor nieuws?’ vroeg de koolschrijver, nadat hij met enige voerlui had afgerekend.

‘Niet veel bijzonders, Krutwig. Over het gebeurde van de laatste dagen hoef ik U niets te vertellen. Daar weet U zeker wel alles van. Ik breng U een boodschap van den Vader Abt. U moet straks bij hem komen.’

‘Best hoor. Ik zal het doen, Baltus, maar vóór vijf uur kan ik hier niet weg. 't Is te druk bij het kolenladen.’

En meer tot zich zelf:

‘Dan kan ik meteeen ook met den Abt afrekenen. Dat is een weg gespaard bij dit weer.’

‘Ik stap 'ns op. Vandaag heb ik vrij en ik wil eens gaan kijken, hoe vader het nog maakt.’

De jongen trok zijn muts over de oren.

‘Dag Krutwig!’

‘Dag Baltus!’

[p. 64]


Toen Baltus thuis kwam, vond hij zijn vader in gezelschap van een onbekenden man.

‘Wat breng jij voor nieuws, Baltus,’ was de eerste vraag van vader. ‘Je kunt gerust praten, want deze man is mijn vriend, die voorlopig bij me blijft. We doen onze zaken samen.’

‘Nou, vader, vanavond is wat te halen. De koolschrijver Krutwig moet geld naar Kloosterrade brengen en zijn plan is, niet vóór vijf uur de mijn te verlaten. 't Is vroeg donker en me dunkt, er valt wat te verdienen.’

Vader kon niet anders dan trots zijn op z'n zoon. Die leerde het vak goed.

‘Prachtig, jongen!’

‘Zeg, kompel,’ wendde hij zich tot den vreemde, vanavond schudden wij den koolschrijver uit. Langs de weg naar het klooster kunnen wij ons gemakkelijk verdekt opstellen en verder is het een kleinigheid.

‘Zeg, Baltus, pak een stevig glas en ga dan weer terug naar de abdij.’

‘Neen, vader, ik blijf vanavond hier. Morgenmiddag moet ik er weer zijn.’

‘Best, jongen. Hoe is 't met dien Nand?’

‘Nog altijd hetzelfde, vader. Hij is vanmorgen van de steiger gevallen, maar er goed afgekomen.’

Wat hij zelf gedaan had, vertelde Baltus maar niet.

‘Zeg jongen,’ vroeg de vreemdeling, ‘is er voor ons niks te halen bij de monniken? Kun jij ons niet 'n keer binnen laten om eens een bezoek aan het hoenderhok te brengen. Een daalder heb ik er voor over. Wat denk je?’

‘Ja, man, die daalder wil ik wel verdienen, maar jullie moeten nu tevreden zijn met wat ik aangebracht heb. Dat is meer waard dan een daalder. Ik verlang dan ook het tiende deel van de buit, want dat komt mij toe.’

‘Je zult krijgen, wat je vraagt, Baltus, maar beloof, dat je ons 'n keer binnen laat in de abdij, dan kunnen we 'ns op ons gemak een paar vette hoenders uitzoeken. Je weet, van kippensoep ben ik bijzondere liefhebber.’

‘Ik zal er over denken, vader. Zo gauw de kans schoon is, zullen jullie gewaarschuwd worden. Ik moet eerst nog goed uitspionneren, hoe dat ongemerkt kan gebeuren. En vader, wat krijg ik?’

‘De beloofde daalder,’ zei de vreemde man.

‘Maak er twee van. Dat is het wel waard.’

‘Baltus, hou je mond. Één is genoeg en de rest betaal ik je met de lat, begrepen!’

De jongen, die nu maar gauw zweeg, haalde de kaarten uit de tafella en deelde ze rond. - - -

[p. 65]


Ongeveer half vijf gingen de beide mannen, nadat ze hun gezichten met roet onkenbaar gemaakt hadden, de deur uit om den koolschrijver Krutwig op te wachten en te beroven.

Op de weg naar Kloosterrade stonden ze ieder afzonderlijk achter een boom en wachtten, nu en dan zacht met de voeten stampend.

Het was reeds half zes voorbij, toen zij voetstappen hoorden. Wat viel dat echter tegen. Het wás de koolschrijver, maar.... vergezeld van twee grote wolfshonden. De rovers, die nu den koolschrijver niet aandurfden, lieten hem rustig voorbijgaan en hoorden duidelijk het gegrom van de honden, die blijkbaar onraad bespeurden. Gelukkig maar, dat Krutwig ze aan de lijn had, anders waren de bloeddorstige dieren ook nog op hen afgekomen. Met voldoening hoorden ze, hoe de man ze kalmeerde.

De beide dieven bleven roerloos staan, tot de koolschrijver ver genoeg verwijderd was. Vloekend en scheldend, kwamen ze toen uit hun schuilhoek te voorschijn.

‘Kom, Peter,’ raasde de vader van Baltus, ‘kom mee naar huis. We zullen dien lummel het handwerk eens wat beter leren. De vlegel wou immers het tiende deel van de buit hebben! Ha, ha! We geven hem de negen tienden van ons nog er bij!’

‘Ja, hij had wat beter kunnen informeren. Hij heeft ons kou genoeg laten lijden en dat voor niks.’

Druk pratend, liepen de mannen voort en hadden het huisje in Klein-Nulland gauwer bereikt, dan ze dachten.

Met een ruk vloog de deur open. Baltus, die lachend opsprong, wou al vragen, hoe het gelopen was.

Eer hij echter een woord kon uitbrengen, had zijn vader hem gegrepen en regende het vuistslagen op zijn arme hoofd. Gelijktijdig kreeg hij kosteloos tekst en uitleg.

Baltus, met zijn armen de slagen afwerend, wilde zich verdedigen en beweerde, dat hij van die honden niets gezien had op de mijn. Vader was in zijn woede niet voor rede vatbaar en zei, dat hij dan beter had moeten uitkijken.

De man rukte de deur open. Met een schop vloog Baltus het stoepje af en rolde in de sneeuw. Hij hoorde nog, hoe zijn vader bulderde:

‘En je zorgt, dat we binnen komen. Dien Nand verlies je me niet uit het oog. Denk er aan!’

Met een smak vloog de huisdeur dicht.

Baltus krabbelde overeind en er zat niets anders op dan maar weer naar de abdij terug te gaan. Wat hadden ze hem toch geslagen. Hij keek nog eens naar de gesloten deur, draaide zich om en begaf zich, zacht kreunend van pijn en ergernis, op weg naar Kloosterrade.

Baltus was nog niet ver van huis, toen een wagen hem

[p. 66]


voorbijreed. Hij riep den voerman en vroeg, of hij mee mocht.

‘Wie ben je?’

‘De staljongen van Kloosterrade!’

‘Stap dan maar op. Daar moet ik ook naar toe.’

Wat was Baltus blij, dat ie 't zo trof.

Bij het klooster liet hij den voerman aankloppen. De portier deed open en terwijl deze met den vrachtrijder naar de wagen kwam om te helpen bij het aftillen van een zware kuip, sprong Baltus naar beneden en liep haastig naar binnen. Dadelijk ging ie naar zijn slaapkamer en kroop in bed.

Enige uren later kwam Nand boven. Hij had een olielampje en droeg onder de arm een pak met twee honingkoeken, die zijn moeder hem gestuurd had en die hij voorlopig in de kist achter zijn bed wilde opbergen.

Daar zag hij Baltus liggen. Met verwonderde stem vroeg Nand:

‘Baltus, wat is er nou aan de hand? Ik dacht dat je thuis was.’

‘Ik was thuis, Nand, maar vond alles potdicht. Vader is zeker ergens naar toe. De buren wisten me ook niet te zeggen, waar ik hem vinden kon. Onderweg gleed ik uit en ben hard gevallen. Gelukkig kwam een kar langs. Ik mocht meerijden tot hier. Omdat ik zo'n pijn had, ben ik direct naar boven gegaan.’

‘Hoe is 't dan, Baltus? Gaat 't wat over? Wat scheelt er aan? Wat heb je daar aan de hand?’

‘O, dat is van de val. Er lag een stuk glas.’

‘Wacht, in mijn kist ligt nog een lap linnen. Ik zal je hand voorlopig verbinden en dan kun je morgen de wonde door onzen heelmeester laten verzorgen. Je zult wel honger hebben, is 't niet?’

‘En of, Nand, ik heb niks meer gegeten sinds vanmiddag.’

‘Wat een geluk, Baltus, dat ik vandaag wat van thuis gekregen heb. Nu kan ik je helpen. Hier, pak aan!’

Nand brak een honingkoek half door en gaf een stuk aan Baltus, die 't gretig opat. Dat smaakte.

‘Die Nand is toch eigenlijk een hartelijke jongen,’ dacht Baltus bij zich zelf, ‘moest ik maar niet altijd aan oom Chris denken, als ik hem zie. Ik zal hem niet aan vader verraden.’

Intussen scheurde Nand enige stroken linnen van de lap en verbond de hand van zijn kamergenoot.

‘Smaakt het, Baltus?’

‘Reusachtig, Nand. Ik rammel gewoon van de honger. En wat een heerlijke koek is dat?’

‘Ja, dat zal wel, Baltus. Moeder heeft hem zelf gebakken en die heeft er verstand van. Zeg, zo straks was de koolschrijver Krutwig hier om met den abt af te rekenen. Wat heeft die een paar prachtige honden!’

[p. 67]


Baltus bromde wat.

‘Wat zeg je, Baltus?’

‘Niks, Nand. Die hand doet zo'n pijn.’

‘Misschien, dat er vuil in zit en daarom moet je ze morgen maar eens goed laten verzorgen, jongen. Hier heb je de andere helft van de koek ook nog. Ik zie, je bent zowat uitgehongerd.’

Baltus verwerkte dat tweede stuk eveneens met smaak.

‘Zeg, Krutwig vertelde, dat hij blij was, dat ie de honden meegenomen had. Niet ver van hier zag hij twee kerels achter een boom staan. Ze durfden geen van beiden voor de dag te komen, zo'n angst hadden ze. Je moet tegenwoordig op je hoede zijn, als je 's avonds uitgaat!’

‘Die hadden er zeker lucht van gekregen, dat die koolschrijver geld naar het klooster bracht. Denk je ook niet, Nand?’

‘Men zou het haast zeggen, Baltus. Maar ik snap maar niet, hoe dat mogelijk is. Krutwig zegt dat toch nooit aan iemand en hij komt bovendien op ongeregelde tijden.’

‘Tja, ik weet het ook niet. Maar kom Nand, we gaan onder zeil. Wel bedankt voor de lekkere koek. Prettig gevoel als je geen honger meer hebt. Slaap lekker, jongen.’

‘Geen dank, Baltus. Wel te rusten. Tot morgen.....’