Avonturen in het land van Rode/Baas kreekmans achter slot en grendel

Avonturen in het land van Rode




17 Baas kreekmans achter slot en grendel

Tegen de middag werd Nand wakker van de pijn aan zijn linkerhand. Hij keek er eens naar en zag, dat over de hele lengte, van zijn knokkel bij de pink tot aan de pols, een snee met pijnlijk rode randen liep.

Met het aankleden had hij lang werk. Bij de pomp op het erf wies hij zich en legde een vochtige doek op de schrijnende wonde. Die verkoeling deed hem goed.

Moeder Hembeek kwam naar buiten en vroeg bezorgd, hoe hij geslapen had. Zij zag zijn handen en schudde met het hoofd. Nand moest mee naar binnen en maar eens gauw flink eten, immers dat had hij nodig en verdiend ook, vond de vrouw.

Nand, die honger had, smaakte het uitstekend. Hij vroeg naar Kaspar, maar die sliep nog.

Vrouw Hembeek vertelde hem, dat zij met haar oudste jongen - vader was al enige jaren dood - overlegd had, wat zij zouden doen. Zij zei, dat haar zoon vroeger van het veld terugkwam en dan Nand met het wagentje naar Kloosterrade zou brengen.

‘Ik bezorg U nog al heel wat last.’

‘Neen, beste Nand, dat beschouwen we niet als last. Integendeel! Aan jou hebben wij het te danken, dat onze Kaspar weer hier is. We mogen dus ook eens wat voor jou doen.’

‘Nou, vrouw Hembeek, ik heb ook reden om dankbaar te zijn. Was Kaspar er niet geweest, dan had ik hier geen veilige schuilplaats gevonden.’

Kaspar kwam de keuken binnen. Ofschoon hij nog een beetje bleek was van de angst en de doorstane vermoeienis, nam hij opgewekt plaats naast Nand.

Hij zag de ontstoken hand van zijn vriend en vroeg aan moeder, of ze misschien wat ongezouten spek had om er op te leggen. Dit was niet in huis, maar gewoon vet had ze wel en dat was ook goed.

De vrouw haalde een stenen potje uit de kast en zocht in de aangrenzende kamer een schone lap.

Nand werd verbonden en kreeg de raad, als hij thuis was, toch maar een chirurgijn te raadplegen.

Intussen was joep, de oudste zoon van vrouw Hembeek, thuis gekomen. Hij maakte kennis met Nand en prees hem voor zijn dapper optreden.

‘Dadelijk zullen we inspannen en je naar Kloosterrade rijden, hoor. Eerst even een boterham eten.’

‘Ga je gang, joep. Is het lang rijden van hier naar de abdij?’

‘Een uurtje, meer niet. Maar vertel me eens, op welke manier jij die kerels eigenlijk in handen bent gevallen.’

[p. 95]


Nand vertelde, hoe het gegaan was. Wie die bandieten waren, wist hij niet. En toch moesten zij geweten hebben, dat hij onderweg was. Hoe zij daarachter gekomen waren, was en bleef een raadsel. In elk geval Vader Abt zou wel alles doen om dat gespuis op te sporen.

Nand wendde zich tot Kaspar en vroeg, hoe hij dan bij dien baas Kreekmans terecht gekomen was.

‘Ik had bij den zadelmaker in Simpelveld paardentuig gebracht om te repareren. Je zult wel zeggen, dat is een eind uit de buurt. Ja, dat is waar, Nand. Maar die zadelmaker is familie van ons en heeft het niet al te breed. Daarom helpen wij hem op zo'n manier een beetje.

Ik kwam terug en op eens stonden twee vermomde kerels, die in het koren op de loer gelegen hadden voor me. Natuurlijk, ik heb me geweerd, maar ik was tegen hen niet opgewassen. Na een korte worsteling lag ik stevig gebonden op de grond en toen werd ik tussen de halmen gesleept. Één van hen ging een wagen halen, waarmee zij me naar baas Kreekmans transporteerden.

Op mijn vraag, wat ze eigenlijk wilden, zeiden ze, dat moeder een flink losgeld moest betalen, anders kwam ik daar niet levend meer vandaan.

In de namiddag kwam jij. Dat waren niet dezelfde schavuiten, die mij gebracht hadden. Voor mij is het een geluk geweest, dat jij kwam, anders zat ik nog in die kelder en wie weet, wat dat tuig van plan was.’

Joep ging naar buiten, haalde de Moor*) uit de wei achter het huis en spande hem voor de wagen.

Nand nam afscheid en bedankte vrouw Hembeek voor de genoten gastvrijheid.

Kaspar ging ook mee. Met z'n drieën reden ze door het stille Voerendaal over Heerlen en Kerkrade naar het klooster.

Bij de poort wilden joep en Kaspar afscheid nemen, maar Nand verzocht hun nog even te wachten.


illustratie


  • )Zwart paard.

[p. 96]


Hij liet de klopper vallen en hoorde spoedig het bekende slofje van den ouden portier. Deze stond een ogenblik met grote ogen te kijken. Toen ging langzaam zijn mond open en hij zei:

‘Nand, jij hier? Wat een zegent Alles is hier in zorg. Overal is reeds geinformeerd, maar nergens was iets van je te ontdekken. Je vader en je oom Hannes zijn al de hele morgen in het klooster. Kom binnen, jongen!’

‘Ja, broeder Herman, hier ben ik in levenden lijve. We hebben lelijk in de klem gezeten. Die twee jongens daar bij de wagen hebben mij gebracht. De kleinste, dat is Kaspar, heeft met mij gevangen gezeten en samen zijn we ontvlucht. Ze mogen toch even binnenkomen?’

‘Jongens, komt binnen,’ nodigde de portier. ‘Ik roep dadelijk den gastenmeester, die wel verder voor jullie zorgen zal.’

Broeder Herman opende de deur van de wachtkamer en ze mochten plaats nemen op de met pluche beklede bank.

Daarna ging de portier gevolgd door Nand naar den abt. Hij klopte. Maar omdat er bezoek was, kwam de prior naar buiten om te vragen, wat er was.

De broeder hoefde niets te zeggen, want zodra de overste Nand zag staan, klaarde zijn gezicht op. Hij liep naar den jongen toe, gaf hem een hand en nam hem mee naar binnen.

Vader Doveren sprong op van blijdschap, toen hij zijn zoon terug zag.

De abt stond ook op, legde zijn handen op de schouders van den jongen en zei:

‘Wat is dat een pak van mijn hart, Nand, dat ik je weer hier voor me zie! Ik heb al direct gedacht, toen ik je niet op tijd terug zag, dat je wat overkomen was. Later kwam je vader naar jou vragen en toen wist ik het zeker, dat men je aangerand had. Ga zitten, hier naast mij, en vertel ons eens precies, hoe alles in zijn werk is gegaan. De schuldigen zullen we trachten te achterhalen en geloof me, zij zullen weten, dat de abt van Kloosterrade zijn mensen weet te beschermen!’

Nand nam plaats en begon zijn verhaal. Aandachtig luisterden de abt, de prior, vader en oom Hannes.

Nu en dan onderbrak de abt hem, om over enige feiten nadere bijzonderheden te vragen.

Kaspar Hembeek, die ook bij den abt geroepen werd, voelde zich niet erg op zijn gemak bij zo'n hogen heer. Hij, de eenvoudige boerenzoon, was niet gewend om te gaan met zo'n voorname geestelijke, als de abt van Kloosterrade.

Maar de minzaamheid van abt Heyendael hielp Kaspar nog al gauw over zijn schuchterheid heen en hij vertelde de aanwezigen zijn wedervaren.

[p. 97]


‘Hoe noemde je dien man ook weer, die je het eerst aansprak, Nand?’ vroeg de abt.

‘Ties van Bleyerheide.’

‘Kaspar, kom morgen hier terug, als het kan, dan laat ik den schout van Kerkrade waarschuwen. Die moet de zaak maar eens grondig onderzoeken. En jij, Nand, je gaat naar den heelmeester, doctor Wagner, in Kerkrade om je handen te laten verzorgen. Één van de Koorheren gaat met je mee.’

Hiermee was het onderhoud afgelopen. De broeder, die op het bellen van den abt binnenkwam, nam de beide jongens mee naar de hal, waar Joep reeds stond te wachten. De Voerendalers namen afscheid van Nand en den gastenmeester en reden huiswaarts.

In het werkvertrek werd de toestand nog eens besproken. Doveren, die zich ernstig bezorgd maakte om den jongen, kreeg van den abt en den prior de verzekering, dat zij zouden waken en hij niet ongerust hoefde te zijn.

‘Over een paar dagen gaat onze prior naar de Ahr om te zien, hoe het met de wijn staat. Ik ben van plan Nand met hem mee te sturen. Dan kan hij daar een tijdje op onze hofstede doorbrengen. Misschien ontdekken wij intussen, wie zijn vijanden zijn. Ik verzeker U, Doveren, dat ze gevoelig gestraft zullen worden.’

Doveren vond het goed, dat Nand een tijdje wegging. Hij en zijn broer stonden op, zeiden de beide kloosterlingen goede dag en vertrokken.

Beneden stond Nand net gereed om met een monnik naar den chirurgijn te gaan. Dat trof goed. Zij konden best even mee om te horen, wat de heelmeester van die verwondingen dacht.

‘Ik hoop maar, dat ze geen kwade gevolgen hebben, jongen,’ zei vader bezorgd, ‘ze zien er lelijk uit.’

‘Onze doctor Wagner is een kundig man. Hij zal er wel raad mee weten, Doveren,’ troostte de monnik.

Nand vertelde onderweg op verzoek van zijn oom voor de zoveelste keer de overval en de ontvluchting.

Oom Hannes bekeek zijn neef met trots. Dat was nu een jongen, waar pit en durf in zat. Hij wist zich zelf te redden, al zat hij nog zo diep in de put. Zoiets deed zijn oud soldatenhart goed, wat duidelijk merkbaar was aan zijn goedkeurend gemompel.

‘Vader, U moet maar niet alles aan moeder vertellen, want dan maakt zij zich nodeloos zorgen. Afgezien van die paar schrammetjes aan mijn handen, ben ik er goed afgekomen. Ik geloof, dat oom Hannes in de oorlog heel wat meer meegemaakt heeft.’

Ze stonden voor het huis van den Kerkraadsen dokter. Dadelijk werden zij in de spreekkamer gelaten, waar de heelmeester bezig was met het bereiden van drankjes.

[p. 98]


Dokter Wagner onderzocht de wonden en schudde ernstig met het hoofd.

‘Dat ziet er niet al te mooi uit, jongen. We zullen ze grondig moeten reinigen en zonder een beetje pijn zal het niet gaan.’

Handig en vlug behandelde de geneesheer de wonden. Nand moest een paar keer zijn tanden flink op elkaar zetten. Hij kreeg het warm en 't zweet parelde op zijn voorhoofd.

Weldra was alles klaar. De dokter zei, dat hij de volgende dag in de abdij kwam om de wonden na te zien.

De dienstbode liet hen uit. Buiten op de hoge stoep namen Nand en zijn begeleider afscheid van vader Doveren en oom Hannes.

‘Zondag kom ik je halen met onze wagen, Nand. Ik breng je ook weer terug,’ riep vader nog.

‘Best, vader, tot Zondag!’ - - -

Nand, die met zijn zere handen toch niets kon doen, wandelde wat rond in de tuin en ging naar het bosje bij de vijvers.

Hij had daar een tijdje rondgeslenterd, toen hij op de weg, die langs de rand van het bos liep, Driekus, den melkknecht, zag staan. Deze redeneerde heftig met iemand, dien Nand niet kon zien. Wie zou dat zijn? En gek, dat Driekus zo maar midden onder het werk weg kon?

Nand wilde toch eens weten, wie dat was. Kijk toch eens, wat Driekus zich druk maakt!

Langs een omweg kwam Nand ongemerkt in de buurt van het tweetal en kon zo, verborgen in een greppel, ongezien het gesprek woord voor woord volgen.

‘.... en of, als ik hem te pakken krijg, dan komt hij niet meer levend uit mijn vingers. Één keer heeft hij me beetgenomen, maar geen tweede keer zal dat gebeuren!’

‘Je had hem beter moeten bewaken en niet naar bed moeten gaan, dan was er niets gebeurd. Wie laat nu ook in een gevangenis een sabel hangen? Daar moet je toch een ezel voor zijn, Kreekmans!’

Nand kreeg een schok, zodra hij die naam hoorde. Dus Driekus kende dien schurk. Zou hij dan van die geschiedenis meer weten? Misschien kende hij dan ook Ties van Bleyerheide?

Gespannen luisterde Nand naar het gesprek.

‘Wie rekent daar ook op? Zij waren zo goed gebonden, hoor, dat zij, menselijkerwijs gesproken, niet konden ontsnappen. Ik begrijp nu nóg maar niet, hoe ze 't hem geflikt hebben.’

‘Ja, dat weet ik natuurlijk ook niet. Ik heb den jongen nog niet gezien. Maar aan Baltus, die bij hem op de kamer slaapt, zal ik zeggen, dat hij Nand eens moet uitvragen. Waar ga je nu naar toe?’

‘Naar Bleyerheide, Driekus, om daar de lui te waarschuwen.

[p. 99]


Mijn huis zal zeker wel doorzocht worden, maar de vogels zijn tijdig gevlogen.’

‘Waar denk je je nu schuil te houden?’

‘Hier in Kerkrade, bij een goeien bekende, die mij voorlopig wel een schuilplaats geven wil. Als je me nodig hebt, vraag maar bij den vrachtrijder Sporks naar Hein Bongaert.’

‘Best, Kreekmans. Als ik tijd en gelegenheid heb, kom ik je nog eens opzoeken.’

Zij gingen ieder huns weegs.

Nand, die stom van verbazing geluisterd had, wist niet, wat hij er van denken moest. Hij voelde wel, dat hij nu dubbel op zijn hoede moest zijn. Hij was nieuwsgierig, wat Baltus vragen zou, als ze alleen waren. Zou hij hem vertellen, dat hij dat gesprek tussen Kreekmans en Driekus afgeluisterd had? Neen, dat was niet verstandig, want dan zou Baltus dat aan Driekus vertellen en die zou dan alles in het werk stellen om Kreekmans te waarschuwen. Net doen, of hij van niets wist, was veel beter.

Terwijl hij zo piekerend terugliep naar de abdij, ontmoette hij bij de ingang van de provisiekelder zijn vriend Pitter, dien hij een hele tijd niet meer gezien had. De jager, die net van de jacht terugkwam, maakte zich vreselijk kwaad, toen hij van de laffe overval hoorde.

‘Ik ga informeren in Bleyerheide, wie daar zoal Ties heet en zal van ieder in het geheim zijn gangen nagaan. Als ik hem vind, Nand...!’

‘Wind je toch niet zo op, Pitter. De schout zal de zaak in handen nemen en Vader Abt zal er zeker op aandringen geen moeite te sparen.’

‘Vanavond nog ga ik terug naar de anderen in de bossen. Ik beloof je, Nand, dat wij ons zullen inspannen om die krankzinnige vervolgers van jou te vinden. Het wordt nu een beetje al te bar.’

‘Nou, Pitter, doe de groeten, hoor. Ik wou, dat ik met je mee mocht.’

‘Ik hoop, dat het spoedig kan, jongen!’ - - -

Op hun kamertje toonde Baltus veel belangstelling voor Nand door allerlei bijzonderheden te vragen over zijn avonturen. Hij maakte zich driftig, omdat er mensen waren, die Nand kwaad wilden doen. Hij had toch niet meer dan zijn plicht gedaan.

Nand, die evenwel tamelijk terughoudend bleef, zei, dat ie nog zo moe was.

‘Dat begrijp ik, Nand, maar wil je me nu eens in het kort vertellen, hoe je er uitgekomen bent. Ze zullen je toch wel stevig gebonden hebben?’

‘Och, Baltus, niks bijzonders. Ik kroop door het kelderraampje, dat ze vergeten hadden te sluiten, en ben toen als een haas hier naar toe gelopen.’

[p. 100]


Baltus begon hard te lachen om zijn ergernis te verbergen.

‘Nu wil jij er een grapje van maken, jongen. Dat mag je niet doen. Het is erg genoeg, dat jij niet rustig meer over straat kunt gaan. Kom, alle gekheid op een stokje, zeg eens eerlijk, hoe je hem dat hebt gelapt. Hulp van buiten gehad?’

‘Neen, Baltus. Ik heb me zelf geholpen. Dat zei ik toch al. Waarom interesseert het je? Wou jij die kunst ook leren? Weet je wat? Ga op de aanstaande kermis maar eens naar een boeienkoning kijken. Als je dan je ogen goed de kost geeft, heb je zo de kunst te pakken.’

‘Ik geloof, dat je een beetje overstuur bent, Nand. Morgen, als je goed uitgeslapen bent, moet je me maar eens alles precies vertellen!’

Baltus, vastbesloten hem de volgende dag eens goed te polsen, staakte zijn pogingen....

De volgende morgen zat de schout van Kerkrade reeds om tien uur in het werkvertrek van abt Heyendael.

Nand en Kaspar Hembeek, die te voet van Voerendaal naar Kloosterrade gekomen was, moesten voor hem verschijnen en ieder op zijn beurt moest precies vertellen, wat er voorgevallen was. De schout maakte aantekeningen en liet zich een nauwkeurige beschrijving van de personen geven.

Toen de gerechtsdienaar klaar was en de abt de jongens wegsturen wilde, vroeg Nand beleefd verlof, om nog iets te mogen melden.

‘Staat het in verband met deze zaak?’ vroeg de schout.

‘Ja, Heer Schout. Gisteren wandelde ik in het bosje bij de vijvers. En wie dacht U, dat ik daar op de weg zag staan? Niemand minder, dan baas Kreekmans, die druk redeneerde met Driekus, onzen melkknecht. Ik sloop voorzichtig nader en luisterde het gesprek af.’

De abt en de schout zetten grote ogen op en de laatste vroeg haastig hem meer te vertellen. Misschien konden zij dat heerschap nog achterhalen.

‘Zij hadden het natuurlijk over mij. Kreekmans had zijn woning verlaten, omdat ie wist, dat hij vast en zeker bezoek van de politie zou krijgen. Hij woont op het ogenblik bij den vrachtrijder Sporks en noemt zich Hein Bongaert.’

‘Sporks woont aan de Holz. Wij zullen dien Kreekmans zo gauw mogelijk inrekenen,’ riep de schout. ‘Een goed begin om deze zaak op te helderen. Wil hij niet bekennen, dan zullen wij de middelen, die ons ten dienste staan, gebruiken om hem aan het praten te krijgen.’

Driekus, dien de abt intussen had laten halen, kwam binnen. Enigszins onrustig bekeek hij het gezelschap, niet begrijpend, waarom hij uit zijn werk gehaald was.

[p. 101]


Op de vraag van den schout hem iets over Kreekmans te vertellen, gaf hij geen antwoord. Maar zodra hij bemerkte, dat Vader Abt en de schout alles van zijn ontmoeting afwisten, voelde Driekus zich genoodzaakt enige ophelderingen te geven.

Dien Kreekmans kende hij al lang en die was vroeger, toen Driekus in Meerssen woonde, zijn buurman geweest. Om aan de kost te komen handelde die man in pluimvee, maar hij was nog al eens 'n keer met de politie in aanraking geweest.

‘Gisteravond, toen ik naar 's Hertogenrade terugkwam, ontmoette ik hem. Hij heeft mij in vertrouwen genomen om nadere inlichtingen over den vluchteling te krijgen.’

Abt Heyendael stond op en gaf Driekus een strenge terechtwijzing. Voorts deelde hij hem mede, dat hij met ‘Sinter Mees’*) ontslagen werd.

De schout echter achtte het nodig Driekus voorlopig te arresteren in verband met de mogelijkheid, dat hij Kreekmans zou kunnen waarschuwen.

Geboeid werd de melkknecht door den schout en twee dienaars, die beneden in de hal gewacht hadden, naar Kerkrade gebracht.

Tegen het middaguur omsingelde de politie het huis van den vrachtrijder. De schout en enige dienaren gingen binnen en vonden het huisgezin van Sporks aan tafel. Kreekmans at ook mee. Dadelijk stapte de schout op hem af en vroeg, of hij Kreekmans was. Neen, hij heette Hein Bongaert.

‘Precies, dan moeten we jou hebben in verband met de ontvoering van twee jongens. Je noemt je wel Bongaert maar in werkelijkheid ben je baas Kreekmans!’

Bij hoog en laag bezwoer de man niets met die zaak te maken te hebben. Niet Kreekmans was zijn naam, maar Hein Bongaert, uit Meerssen, marskramer van beroep.

De schout, die niet naar die praatjes luisterde, gaf zijn dienaren het bevel den man te boeien en weg te brengen.

In de namiddag werd Kreekmans verhoord. De slimme vos liet zich echter niet vangen en bleef volhouden, dat hij de gezochte niet was.

Nand en Kaspar werden gehaald en bij den gevangene gebracht, dien zij terstond herkenden als den man, die geholpen had, toen zij naar binnen gedragen werden.

Opeens herinnerde Nand zich iets.

‘In de nacht is hij eens komen kijken, of we nog goed geboeid waren, Heer Schout. In het licht van de lamp zag ik, dat hij een bruin koordje om de hals droeg. Onderzoek maar eens, of dat niet zo is.’

  • )Sinter Mees is Sint Remigius, feestdag 1 October. Op die dag huren de boeren hun knechts voor het komende jaar.

[p. 102]


De gevangene mompelde wat.

Dadelijk schoten twee dienaren toe om zijn kleren aan de hals los te maken en jawel, ze vonden het bruine koord, waaraan een beursje met geld hing.

Nu hielp geen liegen meer en de arrestant moest toegeven, dat hij baas Kreekmans was.

Op de vraag, of hij de namen van de rovers wilde noemen, bleef hij zwijgen. De schout wees den man er op, dat de schepenbank, als hij bleef weigeren, hem naar de folterkamer liet brengen.

Omdat baas Kreekmans halsstarrig bleef zwijgen, werd hij naar zijn cel teruggebracht om de volgende dag voor de rechtbank van 's Hertogenrade te verschijnen.