Avonturen in het land van Rode/De boodschap van Baltus

Avonturen in het land van Rode




8 De boodschap van Baltus

De jagers, die tijd in overvloed hadden, slenterden wat rond en hielpen hier en daar een handje. Nand kreeg van den abt verlof om zijn ouders te bezoeken. Precies toen hij de poort uitging, stapte Baltus ook de oprijlaan in. ‘Morgen, Baltus! Ook al op weg? Ik ga 'ns kijken, hoe vader en moeder het nog maken.’ ‘Morgen,’ bromde Baltus. ‘Vader Abt stuurt mij met een boodschap voor schepen Kerkhoffs naar Kerkrade.’ Wat gek, vond Nand, dat was toch de taak van een broeder. Hij kon zich maar niet voorstellen, dat daarvoor een staljongen van zijn werk gehaald werd en keek daarom Baltus dan ook ongelovig aan. Het onvriendelijke, norse gezicht van Baltus maakte Nand achterdochtig. Er was iets niet in orde met dien jongen. Maar wat? Nou ja, hij kende hem ook nauwelijks. In elk geval Nand zou hem voorlopig niet vertrouwen. Bij het kruispunt ging ieder zijns weegs.

Nand bereikte na een half uur de hoeve ‘Zur Wentzelen’, waar hij met open armen ontvangen werd. Vader was trots op zijn dapperen jongen. Moeder kreeg de goudgulden. Dat verhaal van die boodschap aan schepen Kerkhoffs was niet waar. Baltus was naar den abt gegaan en had verlof gevraagd om naar huis te mogen gaan. Hij had hem voorgelogen, dat hij bericht ontvangen had, dat zijn vader ziek was.

De abt geloofde den jongen en in zijn goedheid gaf hij hem vrij tot aan het middagmaal. Baltus was blij, dat hij Nand Doveren kwijt was, want hij vond hem een echt vervelenden vent. Die dacht zeker, dat hij nu een hele Piet was door die heldendaad in Ubach. Maar lang plezier zou hij er niet van hebben. Zijn overtuiging was, dat vader wel een middel zou weten te vinden om oom Chris uit de klauwen van het gerecht te halen. Als Nand niet bij de jagers geweest was, hadden ze de Rimburgers nooit in handen gekregen. Zij met hun domme koppen zouden nimmer op die gedachte gekomen zijn. Dus Nand was de schuldige en hij zou er voor boeten. ‘Ik, Baltus, zal hem dat wel op de een of andere manier betaald zetten,’ bromde de jongen met gebalde vuisten. Intussen bereikte Baltus Klein-Nulland, een gehucht bij Bleyerheide, waar zijn vader woonde. Hij was blij, dat ie zover was. Hij had het koud en dat door de sneeuw baggeren was lastig en vermoeiend.

Baltus hief de klink op. Ja, de deur ging open, vader was dus thuis. Door de voordeur kwam men dadelijk in de keuken, waar een [p. 42] lange, magere man met een groot litteken van zijn linkeroor tot op zijn neus aan tafel zat. Deze keek verbaasd op, toen hij daar opeens zijn zoon zag binnenstappen. ‘Wat moet jij hier, Baltus? Hebben ze je weggestuurd in Kloosterrade, vlegel? Ik had je toch gezegd, dat je er moest blijven. Moet je mijn plannen nu altijd in de war schoppen?’ bulderde de opgewonden man.

Hij wilde al naar de stok grijpen, die op de bank achter de tafel lag. Maar Baltus pakte zijn vader bij de arm en riep: ‘Neen, vader, niet slaan. Ik kom met een treurige boodschap. Oom Chris zit te 's Hertogenrade in de gevangenis en nu moet jij hem helpen.’ Ruw schudde de man den jongen van zich af en beval hem plaats te nemen op de bank en zonder veel omhaal te zeggen, wat er aan de hand was. Haastig vertelde Baltus, wat hij van de jagers gehoord had. Gespannen luisterde zijn vader. Zodra Baltus zweeg, stond de man op en liep een paar keer het vertrek op en neer. Hij bleef voor zijn zoon staan en sloeg met een vuist op tafel. In zijn woede raakte hij het bord met etensresten, dat er nog stond. Dit vloog naar beneden en viel rinkelend in scherven op de plavuizen. Vader zwoer oom Chris te zullen bevrijden en vooral dien Nand een geducht pak ransel te geven.


illustratie

‘Maar zeg 'ns vader, wat denk je te doen voor oom Chris? Hij zit onder het raadhuis en zal wel goed bewaakt worden. Ik denk, dat je vlug zult moeten handelen, immers in 's Hertogenrade wordt altijd snel berecht.’ ‘Weet je niet, of zij al verhoord zijn, Baltus?’ ‘Ik heb gehoord, dat zij bij de eerste ondervraging door den drossaard geen antwoord gegegeven hebben. Ik vermoed, dat het tweede verhoor intussen wel heeft plaats gehad en dat de gevangenen niet gespaard zullen zijn. De beul zal zeker zijn duimschroeven niet ongebruikt gelaten hebben. Oom Chris geeft geen kik, dat is zeker, maar de anderen? Ik weet niet, wie dat zijn. Als die praten, zijn ze verloren en zij worden dan zonder twijfel aan de galg geknoopt. [p. 43]

‘Toe, jongen, niet zo hard van stapel lopen. In elk geval weet Chris Stevens, wie hij uitkiest om met hem mee te gaan. Het zullen vast en zeker geen zwakkelingen zijn. Zeg, Baltus, nu iets anders. Let eens goed op, wanneer die vlegel van “Zur Wentzelen” buiten het klooster moet werken. Je waarschuwt me in dat geval tijdig hoor, dan zal ik hem wel ergens tussen licht en donker te pakken krijgen!’

‘Nou, vader, je hebt vanmiddag toevallig een prachtgelegenheid.’ ‘Hoe dat, jongen? Vertel op! De handen jeuken me. Is hij misschien in de buurt?’ ‘Neen, vader, niet te haastig. Vanmorgen toen ik de poort uitging, stapte hij ook net de laan door en ik liep een eind met hem mee. Al aanstonds begon hij tegen mij op te scheppen over zijn heldendaden. Ik kon goed zien, dat ie zich verkneukelde over de gevoelige straf, die oom Chris en zijn helpers zouden krijgen,’ loog Baltus. ‘Waar moest hij naar toe?’ ‘De helden van Ubach hebben van den abt twee dagen vrijaf gekregen. En nu is Nand een dagje naar zijn ouders, maar voor het avondeten moet hij weer thuis zijn. Als je hem dus onder handen wil nemen, heb je nu een gelegenheid, die je niet mag laten voorbijgaan, vader.’ ‘Dat doe ik ook niet, Baltus! Reken er maar op, als hij straks bij jullie in het klooster komt, zal hij niet veel te missen hebben. Maar zeg, hoe laat moet je weer terug zijn? 't Is nu ongeveer elf uur.

‘Vader Abt, dien ik wijs gemaakt heb, dat jij ziek was, heeft me vrij gegeven tot aan het middagmaal.’ ‘Baltus, ik moet je prijzen, jongen! Je wordt zo langzaamaan verstandig. Kom, we gaan. Eten kan ik je niet geven, want er is niets meer in huis. Ik stap nu naar 's Hertogenrade, om eens te informeren, hoe het met de kameraden staat. Allicht, dat ik iets meer te weten kom. Kijk jij nu goed uit en volg nauwkeurig de gesprekken. Wie weet, welk voordeel wij er van kunnen hebben. Wees voorzichtig en doe vroom, dat ze niks aan je merken. Tegen de avond stap ik in de richting van Kaalheide, waar ik dien aap zal tracteren voor de bewezen diensten.’ Zij verlieten het huisje en begaven zich op weg naar 's Hertogenrade.

Bij de mijn in buurt van Kerkrade stond een lange rij karren, die de kolen naar veraf gelegen dorpen en steden vervoerden. Hier haalden de mijnwerkers reeds enige eeuwen kolen uit de grond. Op sommige plaatsen kwamen de kolen zelfs aan de oppervlakte. Nu werkte men al meer dan honderd meter onder de begane grond. Deze mijnen, die aan de abdij behoorden en [p. 44]


illustratie

[p. 45] een rijke bron van inkomsten waren, verschaften aan enige honderden mensen werk en brood. Het tweetal kwam bij het kruisbeeld van de Holz, waar Baltus links de weg naar de abdij insloeg en zijn vader de helling in de richting 's Hertogenrade afdaalde. In een kroegje, niet ver van de stadspoort verwijderd, stapte de man binnen. De herbergier bracht de gevraagde drank en begon een praatje over het slechte weer. Zo terloops vroeg de gast naar de laatste vangst der Kloosterraders. De praatzieke waard raakte niet uitgepraat en vertelde, dat de Rimburgers al twee keer verhoord waren. Twee hadden gezwegen. Maar de derde, een jonge kerel nog, had zich laten ontvallen, toen hij op de pijnbank lag, dat zij ruim twee jaar geleden een voerman overvallen hadden in de buurt van Kerkrade. ‘Ja,’ ging de waard verder, ‘ik herinner me dat nog heel goed. Het was een paar weken voor Kerstmis. De voerman bracht goederen naar de abdij en had nog al veel geld in zijn tas. De wagen heeft men later in de buurt van Spekholz teruggevonden.’ ‘De gevangenen zullen wel goed bewaakt worden?’

‘Ze zijn opgesloten onder het raadhuis en zitten daar zo goed opgeborgen, dat er geen ontsnappen mogelijk is. De getraliede vensters, of beter gezegd luchtgaten, komen uit op een binnenplaats. Als je bij den wapensmid door het raam van de werkplaats kijkt, kun je ze zien.’ ‘Ja, als ze daar zitten, kunnen de bewoners van 's Hertogenrade rustig slapen. Maar kom, ik moet verder.’ De man wandelde eens door de straten. 't Was wel niet prettig in die kou, maar hij moest toch op de een of andere manier iets vinden om Chris te helpen. Bij den smid vroeg ie, of hij zijn verkleumde handen bij het vuur mocht warmen. Dat werd hem toegestaan. Nu kreeg de vader van Baltus de gelegenheid om ongemerkt de situatie eens goed op te nemen. Hij had ook al gauw in de gaten, dat hij hier voor een lastige karwei stond. Gelukkig maar, dat men nog bezig was met het onderzoek. Maar een oplossing moest toch spoedig gevonden worden. Zo piekerend, liep de man in de richting van de stadspoort, waar hij een bekende trof, die hem mee naar zijn huis nam. Hij kreeg een kop warme geitenmelk, die hij gretig opdronk. Daarna begaf hij zich op weg naar ‘Zur Wentzelen’ om met Nand af te rekenen. Het was al donker, toen hij bij de hoeve kwam, waar hij, achter struikgewas verborgen, ongeduldig op de komst van den jongen wachtte. Hij trof het. Nog geen kwartier later ging de poort open en hoorde hij duidelijk:

‘Vader, tot Zondag. Dan kom ik na het eten.’ ‘Nand, het beste hoor. Doe trouw je plicht en houd God voor ogen.’ [p. 46]

Met een klap werd de deur gesloten. Nand zette er een stevige pas in, want over een half uurtje moest hij binnen zijn. Hij had dus niet veel tijd te verliezen. Even voorbij Kaalheide meende hij, dat iemand hem achterna kwam. Hij keek eens om, maar zag geen mens. De laatste huizen van Kerkrade lagen achter hem. Van hier tot de abdij liep de weg door de velden. Nu hoorde Naad duidelijk, dat iemand hem snel volgde. De onbekende kwam steeds korter bij en enige minuten later liep een lange man naast hem, die Nand staande hield en vroeg:


illustratie

‘Zeg eens, vader, ben jij die held uit Ubach?’

‘Op de eerste plaats, at gaat jou dat aan en op de tweede plaats, hoepel op, zo gauw je kunt. Ik heb geen tijd om naar jouw beuzelpraat te luisteren.’ ‘Ho, maar niet zo driftig, manneke! Ik moet je daarvoor de beloning van Chris Stevens komen brengen. Hier - - - Nand kreeg een klap in zijn gezicht. Maar de kerel was aan het goede adres. Nand vloog hem aan, greep zijn jas vast, die krakend scheurde, en gaf den aanvaller zo'n slag op zijn neus, dat 't hem groen en geel voor de oogen werd. In een ommezien lagen ze in de sneeuw en het regende van beide kanten slagen en stompen. Dat er iemand van de kant van Kerkrade naderde, hoorden ze niet. Het was een monnik, die in het refugiehuis der abdij gewerkt had. Dit huis was het toevluchtsoord voor de monniken binnen de muren van de aloude rijksstad Aken, waarheen de kloostergemeente in oorlogstijd verhuisde. Ook bewaarde de abdij daar haar annalen. Dit waren de boeken, waarin alle voorvallen uit de eeuwen van haar bestaan waren opgetekend. De monnik was samen met den pastoor van Kerkrade van Aken gekomen en had den ouden herder, die toch al moeilijk vooruit kon, vergezeld tot aan de pastorie. Nu trof hij aan het einde van zijn thuisreis nog twee vechtersbazen. Naar het tweetal toestappend, gebood hij hen op te houden. De vader van Baltus sprong overeind en verdween in de velden. Nand stond voor den Koorheer, die, zodra hij hoorde, met wien hij te doen had, met een boetepreek beginnen wilde. Nand liet hem echter geen tijd en vertelde maar gauw, hoe de vork in de steel zat. Nu vond de Koorheer het maar gelukkig, dat hij langs [p. 47]

deze weg gekomen was. Op de vraag, wie die bandiet was, kon Nand geen antwoord geven. Hij had trouwens ook niet veel lust meer om te praten, want het zoemde en bonsde in zijn hoofd en hij bloedde uit zijn mond. In vijf minuten waren zij thuis. Nand begaf zich direct naar het vertrek van de knechts, waar hij met verbazing ontvangen werd. Hij vertelde, wat er gebeurd was. Jammer, dat hij niet kon zeggen, wie hem aangerand had.

De heelmeester, door een melkknecht gewaarschuwd, nam Nand mee naar de huisapotheek, waar hij de wonden reinigde en de builen koelde. Nand kroop dadelijk in bed, want hij had vreselijke hoofdpijn.