Avonturen in het land van Rode/De list van Nand

Avonturen in het land van Rode




5 De list van Nand De bewaking van het jachtterrein had geregeld elke nacht plaats; maar er kwamen geen dieven meer opdagen. Reeds veertien dagen waren de Kloosterraders in Ubach en nog steeds hadden zij geen succes.

Op een avond, dat ze weer naar het bos stapten en druk redeneerden over hun vergeefs werk, kwam Nand opeens met een plan. ‘Zeg, Pitter, we moesten eens een list toepassen.’ ‘Vertel op, Nand, we luisteren,’ riepen de anderen. Zij hadden in hem een trouwen en moedigen makker gevonden. En graag luisterden zij naar zijn plannen, want het was nu al verschillende keren gebleken, dat Nand een goede kijk op vele dingen had. ‘Of het lukken zal, jongens, dat weet ik niet. Maar te proberen is het in elk geval. Voorgisteren zat ik bij den smid van Ubach in de smidse. Ik hielp zo'n beetje en trok de blaasbalg, dat de vonken tot boven tegen de zwartgerookte zoldering vlogen. Daar komt opeens die vrouw langs, weten jullie nog, die we ontmoet hebben, toen we hier naar toe kwamen.’ ‘O, die dat vlees van den Kromme uit Rimburg gekregen had!’ viel Frens hem in de rede.

‘Ja die, Frens. Maar luister. Ik informeerde natuurlijk dadelijk, wie dat was. De smid vertelde nu zachtjes, dat zij Mie Sterk heette en dat zij niet te vertrouwen was. Wij moesten maar voorzichtig zijn, want zij spionneerde overal voor Chris Stevens uit Rimburg. Nu denk ik ook, dat zij hem gewaarschuwd heeft voor ons. Wij moeten nu eens het volgende proberen. We vertellen morgen overal rond, dat de dieven niet meer komen en wij nu gerust naar huis kunnen gaan. Wij blijven dan tot overmorgen en verlaten op klaarlichte dag het dorp. Tien tegen één, dat die ouwe heks het hoort en het overbrieft aan den Kromme. Wij gaan niet verder dan Hofstad en blijven daar tot 's avonds, om in het donker langs veldwegen terug te keren naar de weideplaats, die we zodoende ongezien bereiken. Op deze manier zouden we misschien met dien Rimburger kunnen afrekenen.’ Van verbazing keken de jagers den jongen een ogenblik zwijgend aan.

‘Maar Nand, jij moet veldheer worden. Je bent er geknipt voor. Dat vind ik een reuzenplant!’ riep Sjang uit. ‘Nou Nand, we proberen het zeker. Als het lukt, dan stel ik Vader Abt voor, je tot jager te bevorderen,’ zei Pitter geestdriftig. De anderen vonden het ook een prachtig voorstel en verkneukelden zich reeds bij de gedachte, dat ze op zo'n manier de dieven gemakkelijk in handen konden krijgen.

[p. 26]

Nauwkeurig werd nog eens alles overlegd. Intussen hadden zij het bos bereikt en trok ieder na een korte groet naar zijn post. Traag gingen de uren voorbij in de pikdonkere nacht. Een koude wind deed de mannen huiveren en dwong hen zich vaster in hun mantel te wikkelen. In de ochtendschemering keerden ze terug. Het lopen deed hun goed, want ze waren stijf van kou. Gelukkig maar, dat er een knappend houtvuur in de keuken van boer Werden brandde. Met welbehagen werd de kop hete melk opgedronken. Zo terloops vertelden ze, dat zij de volgende morgen weer terug wilden naar Kloosterrade, want de dieven kwamen nu toch niet meer. Ze aten gretig hun pap met roggebrood en gingen slapen.

Nand, die al vroeg wakker was, kwam vlug naar beneden, stak zijn slaperige kop in de bak met ijskoud water bij de pomp op 't erf en deed zich daarna te goed aan boerenkool met worst. Hij praatte nog een poosje met de boerin en slenterde toen het dorp in, om aan iedereen, die 't maar horen wilde, te vertellen, dat de stropers niet meer kwamen en zij nu de volgende dag vertrokken. Het geluk diende hem. Bij smid Vleugels zat Mie Sterk. Zij had een kom melk gekregen en mocht een poosje uitrusten in de keuken. Nand trad binnen, zei goede dag en nam plaats bij het vuur naast de vrouw. De oude bekeek hem van onder tot boven en vroeg toen met een onnozel gezicht: ‘Hoe is het, jager, nog niks gezien in de bossen?’

‘Neen, vrouw. We geven het op. Morgen vertrekken we weer. De dieven hebben de schrik al te pakken, als ze alleen al maar horen, dat de Kloosterraders komen.’ ‘'t Is hun ook geraden, dunkt me, want Vader Abt zou de boosdoeners gevoelig straffen.’ ‘Ja, vrouwtje, dat geloof ik ook, maar je vergeet, dat aan die straf van den abt ook nog een gevoelig pak slaag van ons voorafgaat,’ snoefde Nand. Mie grinnikte eens, maar zweeg verder. Ze dronk vlug haar melk op en zei, dat ze weer verder moest. ‘Waar gaat de reis naar toe?’ vroeg Nand belangstellend. ‘Och, jager, ik bezoek hier in het dorp de goede mensen, die mij ondersteunen in mijn armoede. God moge hen allen zegenen.’ ‘Ik hoop maar, dat je een goeie dag hebt, vandaag.’

Ze keek Nand nog eens aan met haar kraaloogjes en trok toen, een groet mompelend, de deur dicht. ‘Is het waar, Nand, dat jullie morgen weggaan?’ vroeg de smid. ‘Ja zeker, Vleugels, morgen gaan we, want hier schijnt nu weer alles veilig te zijn. Bovendien de nachten worden koud. Maar daar had ik haast iets vergeten. Ik moet gaan, want Werden heeft me gevraagd vanmiddag zijn nieuwen vos in te rijden.’ [p. 27]


illustratie

‘Pas maar op. Die is alles behalve mak.’ ‘Geen zorg hoor. Ik heb al meer op een paard gezeten!’ Met een ‘goeie dag’ verliet Nand de keuken. Toen hij de deur open deed, zag hij Mie Sterk net haastig van de stoep afstappen. Dus die had zijn gesprek met den smid afgeluisterd. Nand, die deed, of hij haar niet zag, ging regelrecht naar de boerderij van Werden. De jagers, die intussen ook opgestaan waren, zagen al dadelijk aan het gezicht van hun kameraad, dat ie iets plezierigs beleefd had. Ze vroegen dan ook direct naar de oorzaak van zijn opgewektheid. ‘Nou jongens, beter kon het niet. Eer het avond is, weet de Kromme al, dat we weggaan. Ik loop daar even bij den smid binnen en wie zit me daar?..... Mie Sterkt Ik heb die ouwe feeks maar dadelijk ingelicht. Nadat ze vertrokken was, heeft ze aan de deur geluisterd en voor de tweede keer gehoord, dat we werkelijk terugkeren naar Kloosterrade.’ ‘Nou, jij hebt de slag te pakken, Nand,’ zei Pitter, hem een ferme klap op de schouder gevend. Op de boerderij vloog de middag om. Nand vertoonde zijn rijkunst en maakte den vurigen vos zo mak als een lam. Mie Sterk haastte zich, zo vlug haar oude benen het haar toelieten, naar Rimburg, naar de woning van Chris Stevens, dien ze gelukkig thuis trof. Met gedempte stem vertelde de vrouw het grote nieuws.

‘Is dat allemaal ook wel juist, Mie, wat je me daar zegt, of hebben je ouwe, dove oren weer slecht geluisterd?’ ‘Neen, neen, Chris. Ik heb het duidelijk gehoord, twee keer zelfs. Aan de deur luisterde ik nog even en de jager zei het toen ook nog eens tegen smid Vleugels. Nu krijgen we weer eens een heerlijk stukje vlees, hé! Je gaat er toch dadelijk op uit?’ ‘Ja natuurlijk! Wat dacht je? De Koorheren van Kloosterrade mogen toch geen vlees eten. Wat moet er anders met het wild gebeuren? Overmorgen kom je maar een lekker hapje halen, Miel!’ De vrouw wreef verheugd haar handen, terwijl ze met haar

[p. 28]

vurige ogen den op en neer wandelenden stroper aankeek. Deze draaide zich plotseling naar haar toe en zei: ‘Zeg, Mie, jij moet morgen uitkijken in Ubach, of ze ook werkelijk gaan. Als ze weg zijn, kom je onmiddellijk naar de kroeg van Joep Fliks en zeg je aan den waard, dat alles in orde is.’ ‘Ik zal er voor zorgen, Chris. Heb je nog bier? Me dunkt, dat ik toch wel een flinke pint verdiend heb, hé?’ Aan haar verlangen werd dadelijk voldaan. Met lange teugen dronk zij het koude bier, waarna ze, met de schort het schuim van haar lippen vegend, haastig opstapte. Chris trok zijn buis aan en sloot zacht de huisdeur. Bij Fliks in de herberg, waar hij zijn kameraden, die om de tijd te korten een spelletje pandoerden, vond, was verder niemand aanwezig, zodat zij ongehinderd de zaken konden bespreken.

Zodra Stevens binnen kwam, staakten zij het spel en trokken een stoel van een ander tafeltje in hun kring. De Kromme ging zitten en liet brandewijn aanrukken. Op zijn bevel sloot de herbergier de voordeur. Nu konden ze rustig praten en daarom viel Chris maar met de deur in huis. ‘Jongens, morgenavond moet alles gereed zijn. De groenen van Kloosterrade vertrekken, want 't wordt hun te koud in Ubach. Nu zijn wij aan de beurt om weer 'ns een lekker hertje naar huis te brengen. Wat zullen ze opkijken, als ze het horen. Kom, ik tracteer al vast!’

Een luid hoera daverde door het vertrek. In één keer goten ze hun glas brandend vocht door de keel. Nu moest geloot worden, wie den aanvoerder zouden vergezellen. Het lot wees Stef Kroy en ‘Rode Willem’ aan. Ze spraken af de volgende dag om tien uur 's avonds bij het stenen kruis aan de Worm bij elkaar te komen, van waar het bos in tamelijk korte tijd te bereiken was. Nog een hele tijd bleven ze zitten bomen en drinken. 't Was reeds lang middernacht voorbij, toen ze stilletjes door de achterdeur de herberg verlieten.....

De Kloosterraders stonden op hun post. Vaag zagen zij zwarte gedaanten rustig stap voor stap verder gaan over de grasvlakte. Dat waren grazende reeën en herten. Boven in de takken schreeuwde een steenuiltje. Een enkele keer hoorde Nand iets ritselen in de dorre bladeren op de grond. Zien kon hij het niet, maar hij dacht, dat het wel een of ander klein roofdier was, op zoek naar zijn prooi. Wat duurde die nacht lang. De mannen waren blij toen in het Oosten de lucht lichter werd. Nu konden ze spoedig naar huis en zich verwarmen bij het vuur. Het sloeg zes uur. Pitter bootste de schreeuw van de uil na, het teken, dat de anderen hun post konden verlaten om gezamenlijk naar huis te gaan. [p. 29]

Op de boerderij was het bedrijf al in volle gang. In de kenkern vond het vijftal een knappend houtvuur en warme melk. Dat deed goed. Ze bleven niet lang beneden. Nadat ze den boer verzocht hadden hen om tien uur te wekken, klommen zij vlug de trap op om hun vermoeide lichamen nog een paar uurtjes rust te gunnen. - - - Op de afgesproken tijd ging Werden naar boven. Hij had heel wat moeite om die slaapdronken kerels wakker te krijgen. Eindelijk lukte het dan en na heel wat rekken en strekken kwamen ze overeind. Zij pakten hun boeltje bij elkaar en kwamen beneden voor het afscheidsmaal. Werden wist niet beter, dan dat zijn gasten nu voor de laatste keer aan zijn tafel zaten. Er werd aan de deur geklopt.

‘Binnen!’

Niemand minder dan Mie Sterk verscheen in de deuropening. De smullende jagers keken op. Maar het wijf gaf hun geen tijd om iets te vragen. ‘Mag ik ook een sneetje brood meeëten, Werden? Ik heb vanmorgen nog niets gehad.’ ‘Kom maar, Mie. Hier ben je in fijn gezelschap. Pak een stoel en schuif bij.’ Nand gaf Pitter een trap onder de tafel en trok gelijktijdig een stoel voor Mie naast de zijne. ‘Kom, Mie, vandaag mag je voor de laatste keer nog eens naast mij zitten. Wij gaan terug naar Kloostergade.’ ‘Het zal wel koud zijn in de bossen?’ vroeg zij aan Pitter.

‘Ja vrouw, we hebben allemaal de jicht gekregen. Ik moet me vast en zeker laten behandelen door den heelmeester van 's Hertogenrade.’ ‘Dan wens ik je goeie beterschap, man. Hou je van de winter maar goed warm,’ gaf Mie spottend terug. Vrouw Werden had tussen al haar bezigheden door nog even tijd weten te vinden om wat in te pakken voor onderweg. Zij zette het mandje naast Pitter neer en deze bedankte haar hartelijk.