Avonturen in het land van Rode/Gevangen

Avonturen in het land van Rode




15 Gevangen

Het was op het feest van Petrus en Paulus, dat Nand toevallig Baltus ontmoette, toen hij de tuin in liep, om daar wat te gaan zitten op de bank bij de kleine vijver.

‘Hé, Baltus, ga je mee, jongen? Bij de vijver is 't zo fijn. Kijk eens ginder, hoe mooi de zwanen ronddrijven en hoe prachtig hun hagelwit spiegelbeeld in het grijs-groene water staat. Kom mee, zegt! Ik moet je ook nog wat vertellen.’

Hoewel met tegenzin ging Baltus mee, nieuwsgierig als hij was, naar wat Nand hem te zeggen had.

Spoedig zaten zij op de bank onder de berken en keken naar de enkele visjes, die zij aan de kant in het zon-doorschenen water zagen zwemmen.

‘En Nand, wat moet je me vertellen?’

‘Baltus, luister eens. Vannacht had ik toch een gekke droom. Er slopen een paar kippendieven naar de kleine tuinpoort. Zij verborgen zich in het struikgewas en wachtten geduldig. Omdat ik achter hen aanliep, kon ik me fijn achter een dikke boom verbergen en alles goed overzien. Wat denk je nu, dat er gebeurde? Opeens gaat het poortje open en een jongen komt naar buiten. Deze roept: “Vader, kom, de weg is veilig!” Met dat ik te voorschijn wilde komen, werd ik wakker. Vind je dat geen gekke droom, Baltus? Ik moet er zelf om lachen.’

Baltus keek den verteller met een paar grote, boze ogen aan. Wat bedoelde Nand? Zou hij wat in de gaten gekregen hebben, of hoe zat dat? Baltus hield het voor het secuurste net te doen, of hij er niets van begreep en merkte daarom lachend op:

‘Och jongen, dromen zijn bedrog. Dat zie je nu weer. Je maakt je eigenlijk belachelijk met zoiets verder te vertellen. Als ik jou was, deed ik dat niet.’

Nand had gauw in de gaten, dat zijn makker hem gesnapt had en ook, dat hij een volleerd huichelaar was.

‘Maar nu wat anders, Baltus. Morgen moet ik voor prior Fabritius een boodschap gaan doen bij den pastoor van Heerlen. Ik ga dan eerst 'ns kijken, hoe het thuis gaat. Omdat ik daar al die maanden niet meer geweest ben, snap je dus wel, dat ik me verheug op de dag van morgen. Vader Abt is ook van mening, dat ik nu geen gevaar meer loop.’

‘Dat denk ik ook, Nand. Wie zou je wat doen? En dat je naar huis verlangt, kan ik me eveneens goed voorstellen. Ik zou ook nog 'ns graag een dag vrij willen hebben. Maar wacht, ik kon wel eens vragen, of ik vanmiddag naar huis mag. Misschien, dat ik vader thuis tref. Als ik je niet meer spreek, Nand, veel plezier morgen, hoor. Hoe laat vertrek je al?’

‘Om acht uur ga ik op stap. Na het eten doe ik mijn bood-

[p. 82]


schap in Heerlen en als ik weer thuis terug ben, kan ik nog een paar uurtjes bij ons op de boerderij blijven.

Baltus wist genoeg. Dat zou nu de dag van de wraak worden. Haastig groetend, liep de jongen naar binnen om verlof te vragen. Hij kreeg het en begaf zich dadelijk op weg.

Hoe zou hij thuis ontvangen worden? Vast en zeker niet al te vriendelijk. Als vader in zijn drift maar niet dadelijk naar de stok greep en hem geen tijd gaf om zijn manier van doen te verklaren. Enfin, hij riskeerde het, want deze prachtkans om dat mispunt een hak te zetten wilde hij zo maar niet laten voorbijgaan. Die droom, dat begreep hij heel goed, was enkel leedvermaak en anders niets. Maar hoe zou Nand daar toch achter gekomen zijn? Daar had Baltus al heel wat over gepiekerd. Maar zonder resultaat. Hij kon het bekijken, zoals hij wilde, het was en bleef steeds even raadselachtig.

Hij was thuis. Voorzichtigheidshalve gluurde de jongen eens door de ruiten en zag vader, die bezig was een gouden sieraad schoon te maken, bij de tafel zitten.

De man keek op. Dadelijk werd hij rood van kwaadheid en schreeuwde:

‘Lummel, kom je weer, om me een beetje voor de gek te houden? Wacht, ik zal voor jou de poort 'ns open maken!’

‘Vader,’ riep Baltus angstig, ‘stil nou! Laat me binnen! Ik breng deze keer nieuws, dat je groot plezier zal doen.’

Aan de binnenkant schoof de grendel van de deur. Met één greep had de man den jongen bij de kraag en trok hem ruw naar binnen.

‘Vertel op, sufferd. Als je me beliegt, gebeurt er wat. Knoop je dat in je oren. Maar wacht 'ns even. Vertel eerst, waarom je in die nacht niet open gemaakt heb?’

Baltus legde haastig uit, hoe dat in zijn werk gegaan was, en wist zijn vader van zijn onschuld te overtuigen. Die kamergenoot van hem, die gemene slinkse vent, had hem dat geleverd. Hij treiterde hem overal en altijd. Zelfs de abt en de prior keken hem al wantrouwend aan door de kletspraatjes van dien Nand.

‘Vader, daar komt nu een eind aan.’

‘Hoe zo, jongen? Moet hij weg van Kloosterrade? Vertel op, waar gaat ie heen?’

‘Neen, weg moet hij niet. Maar de abt vindt, dat hij nu wel weer veilig over straat kan gaan, omdat de zaak van den Kromme nu zowat vergeten is. Morgen moet Nand voor onzen prior een boodschap doen bij den pastoor van Heerlen. Eerst natuurlijk even naar moeder, anders huilt het papjongetje. Na het eten wil hij naar Heerlen en als hij daar klaar is, kan hij nog een paar uurtjes thuis doorbrengen. Wat dunkt je, vader? Nu krijgen wij hem. Wanneer komt Peter thuis?’

[p. 83]


‘Die kan elk ogenblik komen, Baltus. Kijk, daar heb je hem al!’

Peter trad binnen en wendde zich boos tot Baltus:

‘Zeg eens, kom je misschien de daalder halen?’

‘Neen Peter, ik heb een heel wat gewichtiger boodschap aan vader gebracht. Die daalder mag je houden, hoor.’

‘Nu hoor me die brutale vlegel, Ties!’

‘Stil maar, Peter. Hij wil nu alles goedmaken. Morgen krijgen we dien Nand in de vingers, want in Kloosterrade menen ze, dat hij nu veilig op straat kan verschijnen. Nou we hebben nog heel wat met dat baasje te vereffenen. Gaat zitten en laten we alles eens rustig bespreken.’

Nadat zij plaats genomen hadden aan de vuile tafel, stuurde Ties zijn zoon naar de kelder voor een fles drank, die natuurlijk ook van diefstal afkomstig was. Uit onzindelijke glazen dronken ze de brandewijn.

‘Peter, let nu goed op. Ik heb zo ongeveer al een plan in elkaar getimmerd. We lenen morgen van boer Niessen de huifkar, die hij ons vast en zeker zal geven. Dan rijden we daarmee naar de berg bij Heerlen, want de bewoners van “Zur Wentzelen” gaan altijd langs het Aambos. We wachten, tot we Nand Doveren zien aankomen en dan doen we net, of we de as moeten repareren. Als hij dan voorbijgaat, vragen we hem om hulp en verder is het een kleinigheid.’

‘Niet kwaad bedacht, Ties. Maar ken je hem en kent hij jou misschien ook?

‘Hém ken ik wel, maar, of hij mij kent, daar twijfel ik aan.’

‘Als je meent, dat we het kunnen wagen, ik ben van de partij, kameraad. Dat weet je wel.’

Ze klonken en in één teug sloegen ze een boordevol glas naar binnen. Baltus moest nog eens alles uitvoerig vertellen en tevens beloven, dat, wanneer ze met Nand afgerekend hadden, hij hen zou helpen bij een bezoek aan het kippenhok van de monniken.

Baltus beloofde het. Nu mocht hij wel niet lang meer blijven, want vóór zeven uur moest hij binnen zijn. Baltus ging weg en keerde vrolijk fluitend terug in de abdij, waar verder alles zijn gewone gang ging, als op andere feestdagen.

De volgende morgen was Nand al vroeg klaar om te vertrekken en hij verliet opgewekt het klooster. Het was een heerlijke zomermorgen. Boven hem, in het bladerdak van de laan, zongen en kwetterden de vogels; zwaluwen zwierden voorbij en een eindje verder hipte een guitige kwikstaart op de weg. Over de rijpende korenakkers trilde het lied van de leeuwerik, die onzichtbaar in de strak-blauwe lucht hing. Een liedje neuriënd stapte Nand voort over de stoffige veldwegen.

[p. 84]


Thuis vond hij moeder, die alleen in de keuken was, bezig met het middagmaal. Moeder Doveren was blij, dat haar jongen weer 'ns thuis was. Nand moest gauw het nieuws vertellen. Ze was tóch een beetje bezorgd, toen ze alles 'ns precies hoorde.

‘Stel je voor, Nand, die kerels komen weer opdagen?’

‘Maak je maar niet ongerust, moeder. Nand kan ze wel aan,’ zei lachend vader Doveren, die net binnentrad en de laatste bezorgde woorden van zijn vrouw hoorde.

‘Dag Nand, dag jongen! Je ziet er goed uit, hoor. Heb je vandaag een vrije dag? Hoe is 't, geen last meer gehad van die kerels uit Rimburg?’

‘Vrijaf heb ik nu juist niet, vader. Ik moet een boodschap doen bij den pastoor van Heerlen. Nu blijf ik eten, dan ga ik naar Heerlen en als ik terug ben, kan ik nog een paar uurtjes hier doorbrengen. Als ik maar om zeven uur in het klooster ben, dan is alles in orde.’

‘Houd nu moeder wat gezelschap. Ik moet nog even kijken, of het koolzaad goed behandeld wordt. Straks, als je terug bent, gaan we naar het vee kijken. We hebben een goed jaar, Nand. Dadelijk komen de anderen van het veld. Het zal gezellig worden vanmiddag. Denk je ook niet, moeder?’

‘Blijf maar niet te lang weg. We moeten op tijd eten, anders is het dadelijk zo laat, eer Nand

illustratie

naar Heerlen kan.’

‘Komt in orde, moeder!’

De tijd vloog om. Aan tafel hadden de broers het grootste plezier, toen Nand van zijn avonturen vertelde. Nooit hadden ze gedacht, dat hij zo'n durver was.

Dadelijk na het eten stond Nand op, pakte zijn muts van de schapraai en met een ‘tot strakjes’ stapte hij de deur uit.

't Was heet in het veld. Wel ging er een zacht windje, dat de gouden halmenzee in een zacht deinende beweging bracht, maar het gaf geen verkoeling. Nand was blij, toen hij het Aambos in het oog kreeg. Niet ver van het bos bemerkte hij aan de rechter kant van de weg een kar met een witte huif en twee mannen, die aan de naaf van een achterwiel bezig waren.

[p. 85]


‘Zeker een breuk,’ dacht Nand. ‘Vervelend, als je met zoiets een eind van huis zit.’

Hij bereikte de voerlui, zei goeden dag en wilde voorbijgaan. Één van de mannen, het was de vader van Baltus, ging rechtop staan en vroeg:

‘Zeg eens, jongen, heb jij misschien verstand van wagenassen? Deze as is vastgelopen. Er is geen beweging meer in te krijgen.’

‘Vastgelopen?’ vroeg Nand verwonderd. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord. Zou er dan wat tussen zitten?’

‘Ja, ik weet het ook niet!’

Peter, die nog maar altijd aan het wiel geprutst had, kwam nu ook overeind en vroeg, of Nand 'ns kijken wou. Misschien, dat hij ontdekte, waar het haperde.

Met dat Nand zich bukte om het geval wat nader te bekijken, vielen de twee kerels over hem heen.

De jongen wist niet, wat er met hem gebeurde en dacht er in de eerste schrik niet aan zich te verdedigen. Zodra Nand tot het besef kwam, dat hij in handen van bandieten gevallen was, was het al te laat. Hij lag stevig gebonden in het gras en met een zakdoek hadden ze hem het om hulp roepen onmogelijk gemaakt. Zij blinddoekten hem en daarna greep de lange vent zijn benen vast, terwijl de andere hem bij de schouders pakte. Bij het optillen probeerde Nand nog wel te schoppen, maar hij was zo goed als machteloos. Bovendien bedreigden ze hem met de dood, als hij zich nog eens verroerde.

Met een bons lieten zij Nand op de bodem van het voertuig vallen. Zijn hoofd stiet tegen een scherpe kant, waardoor hij bewusteloos werd.

Toen hij weer bijkwam, bemerkte de jongen aan het horten en stoten, dat de wagen met een flink vaartje over een slechte weg reed. Waar ergens ter wereld hij was, wist hij niet meer, en hij kon eveneens met geen mogelijkheid bepalen, hoe lang die rit al geduurd had.

Wat zouden ze met hem gaan doen? Wie waren die twee kerels? Hij had ze nog nooit ontmoet. Doordat de doek van zijn ogen geschoven was, kon hij ze door een kier in de huif op de bok zien zitten. Uit hun gesprek, waarvan nu en dan enkele woorden tot hem doordrongen, maakte hij op, dat ze het over losgeld hadden.

Opeens werd de spleet in het doek wijder. Peter stak zijn kop er door.

‘Hé, kijk eens, het papjongetje is weer bij zijn verstand. Hou je maar koest, manneke, je bent in goeie handen. Nergens over tobben en geen zorgen, hoor. Eerst moeten we je voor je heldendaden belonen en dan zullen we eens zien, hoeveel de

[p. 86]


abt van Kloosterrade voor je over heeft. Geeft hij een behoorlijk prijsje, alla, dan zijn wij de kwaaisten niet. Is hij dat niet van plan, tja, dan moeten we nog eens overleggen.’

‘Hu, Max,’ riep Ties. Met een ruk stond het paard stil bij een eenzaam gelegen huis. De eigenaar, die vlug naar buiten kwam, vroeg, wat ze hem nu brachten.

‘Iets, wat je zorgvuldig moet bewaren, baas Kreekmans. Kijk maar eens hier.’

Meteen trok Ties den jongen een eind van de wagen. Peter en Kreekmans pakten ook aan en samen droegen zij hun slachtoffer naar binnen. Eerst door een donkere gang, daarna een smalle trap af naar een kelder, waar zij Nand op een hoop stro neerlegden. De zakdoek was losgegaan en Nand was blij, dat hij nu wat ruimer kon ademhalen.

‘Je bent niet alleen. Daar ligt nog iemand. Lollig voor je, Nandje, dat je gezelschap hebt. Tevens een goeie troost, hoor. Luister, Kreekmans. We beginnen maar eens met hongerlijden. Dat maakt zo'n jochie al veel makker. Morgen zullen we verder zien. Heb je nog wat in de kruik, ouwe?’

‘Zeker, kom maar, dan kun je me meteen inlichten, hoe ik dat heerschap verder behandelen moet.’

Zonder nog naar de gevangenen om te kijken, gingen ze naar boven. Het duurde lang, eer Nand de wagen hoorde vertrekken. Uit het spektakel kon hij wel opmaken, dat ze allemaal dronken waren. Hij hoorde ook, hoe boven aan de trap de sleutel van de kelderdeur knarste. De baas ging zeker naar bed. Hoe laat zou het zijn?’

Nand hoorde zuchten. O, ja, nu herinnerde hij zich, dat er nog iemand in de kelder was. Zachtjes vroeg hij:

‘Wie ben je?’

‘Ik ben van Voerendaal en heet Kaspar Hembeek. De bandieten, die mij in de velden tussen Simpelveld en Ubachsberg overvielen, hebben mij gebonden en geblinddoekt hierheen gebracht. Waar we hier ergens zijn, weet ik niet. Wie ben jij?’ fluisterde Kaspar.

‘Mijn naam is Nand Doveren en mijn ouders wonen op de hoeve “Zur Wentzelen”. Zelf ben ik knecht in de abdij van Kloosterrade. Op de zelfde wijze als jij, Kaspar, ben ik hier beland.’

‘We zitten er lelijk in, Nand, en ik weet heus niet, op welke manier we hier vandaan komen.’

‘Het is nu muisstil in huis. Heb jij al wat te eten gehad? Ik rammel van de honger.’

‘Neen hoor, we krijgen niks. Op zo'n manier willen ze ons tam maken. Dat hoorde je toch zo straks. Ik hoop maar, dat ik een uitweg weet, eer het morgen is.

[p. 87]


‘Daar heb ik ook al over nagedacht, jongen, maar voorlopig zitten we als muizen in de val.’

Nand, die zich op zijn linkerzij gedraaid had, lag nu vast tegen de muur. Hij prakkezeerde zich een ongeluk, op welke wijze hij zich van die knellende touwen zou kunnen ontdoen, die hem in het vlees sneden en bij elke beweging een scherpe pijn veroorzaakten.

Door het getraliede keldergat woei een zacht, lauw windje naar binnen.

‘Zeg, Kaspar, als we eens tegen elkaar aan gingen liggen en zo probeerden de strikken om de handen los te maken? Ik bij jou en jij bij mij.’

‘Dat zal wel moeilijk gaan, Nand, want mijn handen zijn met de palmen strak op elkaar gebonden. Dat volk doet zijn werk altijd goed, dat zal je zelf ook wel in de gaten hebben.’

‘Wat moeten we dan doen? Ik denk maar altijd aan thuis, waar vader en moeder tevergeefs op mij wachten. Zij maken zich natuurlijk ongerust en het is best mogelijk, dat vader naar Kloosterrade gaat om te vragen, of ik daar soms ben.’

‘Mijn moeder, Nand, zal ook niet weten, waar ik blijf. Ze zit zeker met ongerustheid op mij te wachten en zij gaat niet naar bed, voor ik er ben.’

Opeens voelde Nand een hard voorwerp onder het stro. Zo goed en zo kwaad het ging woelde hij de halmen opzij en haalde een lege fles te voorschijn. Hij vertelde het aan Kaspar, die zei, dat hij daar niet veel aan had.

De sleutel werd omgedraaid boven op de trap. Er kwam iemand naar beneden. Bij elke trede zakte het licht van de lantaarn lager. Daar kwam het om de hoek en de gevangenen zagen baas Kreekmans, zoals ie uit zijn bed gekropen was, de slaapmuts over de oren, op hen toekomen. Hij zei niets, overtuigde zich, dat de jongens nog goed gebonden waren, keek de kelder eens rond en vertrok weer. De deur werd zorgvuldig gesloten en spoedig was weer alles rustig in huis.