Avonturen in het land van Rode/Het spook van de ‘Bonte Koe’

Avonturen in het land van Rode




23 Het spook van de ‘Bonte Koe’.

Nand voelde zich goed thuis in Ahrweiler en de zomer was voorbij, voor hij het wist. Door de week was het flink aanpakken, want de vergroting van de Roderhoeve moest voor de wijnoogst klaar zijn.

's Zondags maakte Nand met de andere knechts uitstapjes naar de verrukkelijke plekjes in het schone Ahrdal en naar de trotse burchten boven op de bergtoppen.

Ook de Saffenburg, die hem heel bijzonder interesseerde, bezocht hij verschillende keren. Daar immers woonden eeuwen geleden graaf Adelbert en graaf Adolf, die aan Ailbertus het land bij 's Hertogenrade, waar nu de abdij staat, schonken.

Pierre, de koetsier, was ook nog op de Roderhoeve. Kort na hun aankomst was hij ziek geworden, zodat de prior toen gedwongen was een anderen koetsier te huren, om terug te rijden naar Kloosterrade.

Na enige weken was Pierre weer zo ver hersteld, dat hij licht werk kon verrichten. Ook hier kwam hij met zijn bijgelovige praatjes voor de dag tot groot vermaak van de knechts. Met een ernstig gezicht stond hij tegen Nand te beweren, dat die heks op de weg naar Eupen hem die ziekte op 't lijf gejaagd had. Ze had vast en zeker in dat korte moment, waarin ze voorbijgereden waren, vat op hem gehad. Natuurlijk volgde op zijn redevoering een daverend gelach en Pierre ergerde zich geweldig over de ongelovigheid van zijn toehoorders.

Op een avond, dat de koetsier vroeg naar bed was, spraken de knechts onder elkaar af, hem voor zijn vertrek nog eens flink er tussen te nemen. Die pret wilden ze hebben.

Één van de jongens, een zekere Prik, die steeds vol grappen en streken zat, bood zich aan, om op een avond te gaan spoken en dan Pierre eens danig de schrik op het lijf te jagen.

Met gejuich werd dit voorstel aangenomen en Nand stelde voor er mee te wachten tot na de oogst. Dat werd goed gevonden. Prik had dan de tijd om zich voor te bereiden.

Goed half October werden de stellages en de overgebleven bouwmaterialen opgeruimd.

De week daarna begon het druivenplukken. Zingend trokken de plukkers met grote manden op de rug naar de wijnbergen. Overal langs de hellingen waren de mensen druk bezig en er heerste vreugde en bedrijvigheid in het hele dal. De volle korven werden naar beneden gedragen en daar op een lange ladderwagen geplaatst, welke ze naar de hoeve reed. Bij de wijnpers hadden de mannen hun handen vol. Voortdurend vloeide het diep-rode druivensap in de vaten. Als die vol waren, werden ze in de kelder gebracht, waar na enige tijd het sap begon te gisten.

[p. 140]


Na die eerste gisting werden de vaten gesloten en gereed gemaakt voor het transport naar Kloosterrade. Daar liet men dan de jonge wijn nog een tweede keer gisten. De pluk werd besloten met een vrolijk druivenfeest.

Nand vond het een zalige tijd en zei, dat Vader Abt hem gerust ieder jaar naar Arhweller mocht sturen.

Nu was het geduldig wachten op de wagens uit Kloosterrade, die reeds onderweg waren. Omdat de mannen meer vrije tijd hadden, gingen zij nu ook al 'n keer in de week uit.

Het toeval wilde, dat een ruiter bij de hoeve afsteeg en vertelde, dat de voertuigen van Kloosterrade de volgende morgen zouden arriveren. Hij was ze gepasseerd en de leider van het transport, met wien hij een kort praatje gemaakt had, had hem verzocht die boodschap in Ahrweiler te willen afgeven.

‘Dan is dit de laatste avond, Nand,’ zei Prik. En fluisterend, opdat Pierre het niet horen zou:

‘Vanavond ga ik spoken.’

‘Hoe lap je hem dat?’

‘Zul je nog wel zien. We gaan straks naar Dernau. Daar maken we de hele avond plezier en op de terugweg zie je het spook verschijnen. We hebben geluk, want het is volle maan.’

‘Ik ben beslist nieuwsgierig, Prik. Misschien, dat die Pierre dan ook een keer genezen is van zijn domheid.’

‘Ik hoop het voor hem, Nand.’

De hele dag door brachten de pachters van de hoeven, welke het eigendom van de abdij waren, hun wijntienden naar de Roderhoeve. Met wijn betaalden zij hun jaarlijkse pacht.

Tegen vier uur waren alle pachters er geweest en nu mochten de knechts hun voorgenomen afscheidsfeest in Dernau gaan vieren.

Het werd een erg leuke avond. Ieder moest iets grappigs voordragen.

Nand ging op een tafel staan en speelde ‘De heks van Eupen’ tot groot vermaak van de aanwezigen. Alleen Pierre keek met gefronste wenkbrauwen naar den grappenmaker.

Toen Nand weer ging zitten, bromde de koetsier:

‘Je spot er maar mee, tot het te laat is.’

‘Pierre, als jij je mond niet houdt over die onzin, dan klim ik weer op de tafel en speel ik ‘De peettante van Fieke’, dreigde Nand.

Om erger te voorkomen zweeg de koetsier maar gauw. Stel je voor, dat die vlegel hier in dit lokaal onder al die vreemde mensen die dingen ging vertellen. Hij was maar wat blij, dat ze weer gauw naar Kloosterrade teruggingen.

Tegen tien uur verlieten zij met veel lawaai het stille Dernau en zij volgden de weg, die vlak langs de Ahr liep.

[p. 141]


Twee knechts zaten elkaar achterna, waarbij er één uitgleed en pardoes in het koude water viel.

Direct sprong Nand, die in de afgelopen zomer uitstekend had leren zwemmen, den jongen achterna en bracht hem met vrij veel moeite op het droge.

Bij een boerderij in de buurt, waar nog licht door de hartjes van de luiken scheen, vroegen zij om hulp.

Toen de bewoners hoorden, dat zij knechts van de Roderhoeve waren, mochten zij binnen komen en werd het tweetal dadelijk van droge kleren voorzien. De vrouw stookte het vuur op en hing het natte goed bij de schouw. De jongens, die bij echt gezellige mensen terecht gekomen waren, vertelden allerlei grappen. Zo werd het al gauw middernacht, wat niet erg was, want de poortwachter van Ahrweiler wist, dat zij pas na sluitingstijd zouden terugkomen.

De kleren waren droog. Ieder trok zijn eigen plunje aan. Luidruchtig bedankten zij den boer en de boerin voor de genoten gastvrijheid.

Prik was ongemerkt verdwenen, nadat hij de anderen had ingelicht. Allemaal waren zij benieuwd, naar wat er komen zou. Ze hielden Pierre al een beetje voor de gek, want het was middernacht en de spoken reden door de lucht.

Het dorpje Dernau lag al een eind achter hen en duidelijk konden de jongens de vooruitspringende

illustratie

rots, die de ‘Bonte Koe’ genoemd wordt, onderscheiden in het heldere maanlicht.

Opeens grijpt Pierre de twee knechts, die naast hem liepen, vast en fluisterde met angstige stem:

‘Kijk, kijk, daarboven op de rots! Een spook! Zien jullie wel, dat er geesten in de nacht ronddwalen. Kijk, het spook kruipt op de rots en maakt allerlei gekke gebaren tegen ons!’

Het hele troepje stond met belangstelling naar boven te kijken. Daar schoof de witte gedaante op de voortuitstekende rotsblok. Echt wat van Prik. Eigenlijk waaghalzerij. Gleed hij uit op dat gladde gesteente, dan kostte het hem zijn leven.

Het spook maakte allerlei be-

[p. 142]


wegingen en strekte de armen uit, alsof het de toeschouwers wilde uitnodigen naar boven te komen.

‘Blijft stil staan, jongens!’ riep de geschrokken Pierre. ‘Als we aan die uitnodiging toegeven, gaan wij ons ongeluk tegemoet!’

Niemand lachte. Eigenlijk hadden ze maar half gehoord wat de man zei, omdat ze met gespannen aandacht naar Prik keken, die maar kalm verder spookte.

Ze zagen, dat het spook zich bukte, iets opraapte en er mee gooide. Een flinke kei rolde langs de rotsen naar beneden en viel met een plons in de snelstromende Ahr.

De witte gedaante, die langzaam weer terugknoop, ging nog één keer rechtopstaan, hief de armen omhoog, stiet een doordringende kreet uit en verdween met een sprong in het struikgewas.

Een ogenblikje stonden de jongens nog te kijken. Toen kwamen de tongen los.

Met een bleek gezicht stond Pierre heftig te redeneren en legde er vooral de nadruk op, dat hij toch gelijk had. Nu hadden ze het allemaal met eigen ogen gezien.

‘Zeg, Pierre, kom mee. We klimmen naar boven en geven dat spook een flink pak slaag. Mijn handen jeuken al,’ stelde er een voor.

‘Ja, Pierre, dat doen we! Jij voorop! Of durf je soms niet?’ riepen de anderen.

‘Voor geen geld ter wereld bemoei ik mij met de geesten. Vader zei altijd: Laat ze met rust en er kan je niets gebeuren.’

De jongens hadden moeite genoeg om zich goed te houden. Die Prik had het keurig gedaan. Daar zouden zij nog lang van genieten.

Pierre spoorde zijn makkers aan, nu vlug door te stappen en vooral niet om te kijken, als zij aan de griezelige plek voorbijgingen.

‘Volgt mij maar en houdt verder je mond, dan gebeurt er niets,’ kommandeerde hij.

Hij ging verder en de anderen volgden, heimelijk lachend over den dapperen koetsier.

Zij kwamen bij de bocht, waar de vervaarlijke steenklomp een eind boven de weg uitstak. Op dat moment rolden enige losse stenen naar beneden. Schichtig keek Pierre, waar die vandaan kwamen.

O, hu...., daar zag hij de witte gedaante tussen de wijnstokken. Zij kwam naar beneden, stiet allerlei klanken uit en dreigde met de vuisten.

Pierre, die geweldig schrok, ging als een haas er vandoor en rende, wat ie maar kon. Het geroep van zijn kameraden hoorde hij niet.

[p. 143]


Aan het plezier kwam geen einde. Sjonge, sjonge, wat een grap. Ze stonden rondom Prik, die er potsierlijk uitzag in het witte laken, en zij vonden allemaal, dat hij zijn rol uitstekend gespeeld had.

De torenklok van Dernau waarschuwde de jongens, dat ze voort moesten maken, want ze waren reeds lang over tijd. Vrolijk pratend stapten ze nu vlug op huis aan met het spook in hun midden.

In de uitbundige pret hadden zij niet bemerkt, dat er enige karren achterop kwamen, totdat het knallen van een zweep hen deed omkijken. Wie konden dat nog zijn? Nand dacht onwillekeurig aan de wagens uit Kloosterrade. Maar dat was onmogelijk, want die kwamen pas de volgende morgen, had de ruiter gezegd. In het licht van de maan zagen zij, dat het twee lange voertuigen waren, en daarom werd besloten te wachten. Misschien konden ze wel meerijden.

De eerste wagen hield stil en de man, die het voorste paard bij de kop vasthield, vroeg, of het nog ver was naar Ahrweiler.

‘Neen, man. Een half uurtje nog,’ antwoordde Nand. ‘Is U niet de pachter van de Vroenhof?’

‘Ja, dat ben ik. We moeten naar de Roderhoeve om de wijn te halen. Wie ben jij, dat je me zo goed kent?’

‘Wat een bof! Ik ben Nand Doveren. Die jongens hier werken allemaal op de Roderhoeve. Maar we hebben jullie niet vóór morgenvroeg verwacht.’

De Kloosterraders waren zichtbaar verheugd, nu zij een bekende troffen in het vreemde land.

Na de eerste kennismaking werd de reis voortgezet.

Nand liep naast den pachter, terwijl de anderen op de karren klommen.

Pachter Belten vroeg, hoe het kwam, dat zij nog zo laat onderweg waren. Nand vertelde hem van hun afscheidsfeest.

‘Waarom bleef je niet ergens overnachten, Belten?’

‘Ja, Nand, dat zal ik je eens gauw zeggen. We hebben 'ns precies gevraagd, hoe ver het nog was, en hebben toen maar besloten door te gaan, want voor ons is het reizen in dit land niet zo prettig. De lui spreken zo'n eigenaardig taaltje.’

‘Dat is zo. Maar vertel eens, heb je niets van mijn ouders gehoord? Hoe gaat het in de abdij?’

‘Voorgisteren was je vader nog bij me. Thuis maken ze het nog best. Ik moest je veel groeten doen en van je vader kreeg ik een pakje voor jou. Straks krijg je het, want 't ligt in de andere wagen, waar Baltus het opgeborgen heeft.’

‘Hé, is die ook meegekomen? Dat vind ik leuk!’

‘Er is heel wat gebeurd, jongen, gedurende je afwezigheid. Dien Ties van Bleyerheide hebben ze ook te pakken gekregen.

[p. 144]


Hij en zijn maat, een zekere Peter Korten, zijn zwaar gestraft.’

Nand, die bij dit nieuws grote ogen opzette, vroeg nieuwsgierig:

‘Wie was dat dan, die Ties?’

‘Een zekere Langeveld! Baltus heet ook zo, maar ik geloof, dat hij er niets mee te maken heeft. Ties van Bleyerheide probeerde uit de gevangenis te ontvluchten en is daarbij verongelukt. Met een vijl had hij 's nachts op een gunstig ogenblik de deur van zijn cel weten te openen. Hij bereikte de buitenmuur, gleed uit en stortte naar beneden. Men vond hem de volgende dag aan de voet van de muur dood in de brandnetels liggen.

‘Is het niet uitgekomen, waarom zij mij vervolgden?’

‘Zover als ik weet, niet. Voor het gerecht hebben ze verklaard, dat zij de opdracht van een onbekende hadden ontvangen, om jou te grijpen en bij een zekeren baas Kreekmans te brengen. Meer hebben zij niet losgelaten, ook niet op de pijnbank. Ook moeten zij nog twee inbraken in de abdij gepleegd hebben. Het gekke daarbij is, dat zij de waakhond, je weet wel, Castor, waar heus niet mee te spotten valt, in de schuur hebben opgesloten.’

‘Dat is zeker heel eigenaardig, Belten. Maar wie zou dan toch die onbekende zijn, die iets tegen mij heeft?’

‘Ik snap er ook niets van, Nand. In elk geval is het toch een hele geruststelling voor je, dat die twee je geen kwaad meer kunnen doen. Nu iets anders. Wie is die vent in dat laken. Hoor eens, wat ze daarachter pret hebben.’

‘Moet je horen, Belten. We hebben Pierre 'ns laten schrikken. Je weet wel, dien gebochelden paardenknecht van de abdij. Die heeft het toch altijd zo druk over geesten en spoken en nu heeft een van de jongens voor spook gespeeld. We hebben ons krom gelachen. Toen het spook naar beneden kwam, ging Pierre er vandoor. Hij vloog over de weg en zal zeker wel al lang thuis zijn.’ - - -

Op de Roderhoeve gaf de aankomst van de Kloosterraders een hele drukte. De meeste bewoners, die reeds een tijdje naar bed waren, stonden haastig op, om pachter Belten en zijn mannen nog een handje te helpen.

In de grote keuken, waar gelukkig het vuur nog brandde, zaten Pierre en een oude knecht, die samen zwaarwichtig redeneerden over het spook, dat langs de kale rotsen van de ‘Bonte Koe’ ronddoolde. Het was de eerste keer, dat de oude man daarvan hoorde, en hij kon het haast niet geloven. Maar nu Pierre het met eigen ogen gezien had, was er geen twijfel aan. Zij moesten hun gesprek onderbreken, want de keuken raakte vol volk.

Pierre sprong op van blijdschap, toen hij den pachter van de Vroenhof zag. Zó blij was hij, dat zijn landgenoten gekomen

[p. 145]


waren. Maar opeens stond het witte spook voor den verbaasden man en bracht hem de groeten van de ‘Bonte Koe’.

Aan het lachen kwam geen einde en Pierre maakte, dat hij weg kwam.

Nand, die met het pakje van zijn ouders in de hand bij Baltus stond, vroeg naar allerlei bijzonderheden, waarbij hij goed liet merken, hoe blij hij was, dat zij die kerels gesnapt hadden.

Baltus zei niet veel en deed erg terughoudend. Om van Nand af te komen, zei hij maar, dat hij de paarden nog moest verzorgen.

Nand keek den jongen na en wist niet, wat hij er van denken moest. Wat zou er toch aan mankeren? Er zat geen fut meer in Baltus.

Nand, die maar eens gauw het pak openmaakte, was wat blij met die lekkere honingkoeken, welke moeder voor hem meegegeven had.

Tegen het aanbreken van de dag kwam er eindelijk voor korte tijd rust op de Roderhoeve. Buiten kraaiden reeds de hanen, toen de laatsten naar bed gingen.