Avonturen in het land van Rode/In de val

Avonturen in het land van Rode




22 In de val

De schout van Kerkrade was erg in zijn sas met het nieuwtje, dat zijn broer hem zo onverwachts bracht. Dus Ties Langeveld was het, die zich Ties van Bleyerheide noemde. Dan hadden zij nog lang kunnen zoeken, maar nu was het een kleine moeite om hem in te rekenen. Tenminste zo dacht de schout, in werkelijkheid zou het anders zijn.

Ties had een fijne neus gehad, toen hij besloot naar 's Hertogenrade te gaan, om daar een paar dagen bij een kennis te blijven.

Al vroeg in de morgen verschenen de dienaars van het gerecht voor het huisje in Klein-Nulland en omsingelden het, om iedere poging tot ontvluchting te kunnen verijdelen.

De schout ging met een politieman naar de deur en draaide aan de klink.

Gesloten!

Op de deur bonzend, eiste hij in naam der wet toegang. Geen antwoord. De eis werd herhaald, maar er kwam geen leven in de woning.

De schout riep twee mannen en beval, de deur met geweld te openen, iets, wat niet veel inspanning kostte. De mannen lieten zich met hun volle gewicht tegen de deur vallen, die met een smak open vloog, zodat beiden in de donkere keuken rolden. Zij stieten de luiken open en de zon verlichtte het rommelige vertrek, waarin een bedompte lucht hing.

De weinige kamers waren spoedig doorsnuffeld. Niets vonden ze, behalve een zak kippenveren.

De schout ging een licht op. Misschien had die Ties ook wat met die inbraak in Kloosterrade te maken. De zak met inhoud moest mee en omdat er verder niets meer gevonden werd, sloot de schout, zo goed het ging, weer de huisdeur.

Bij de buren informeerde de politieman naar de bewoners, maar die konden hem niet veel vertellen, omrede zij weinig met die mannen in aanraking kwamen. Dagenlang zagen zij hen soms niet en waar ze nu verbleven, was hun onbekend.

De politie ging weer weg. Één man moest in de buurt blijven, om de omgeving in de gaten te houden. Alles te vergeefs, want geen levende ziel vertoonde zich en 's avonds werd die man afgelost door twee anderen, die gedurende de ganse nacht de wacht hielden en ook niemand zagen.

Ties en Peter verbleven te 's Hertogenrade en kwamen zo weinig mogelijk op straat.

Drie dagen later waagde Peter het eens poolshoogte te gaan nemen. Vermomd als marskramer slenterde hij langs de huizen van Klein-Nulland. Zodra hij aan de deur van Ties zijn huis

[p. 133]


rammelde, schoot een politieagent op hem af en vroeg, wat ie daar doen moest.

‘Dat zie je toch wel, man. Ik verkoop allerlei snuisterijen. Heb je misschien ook iets nodig?’

‘Neen, dat niet. Maar hier is niemand thuis. Kom jij wel eens meer hier in de buurt?’

‘Zowat elke veertien dagen. Maar bij dit huis gebeurt het nog al 'n keer, dat niemand open doet.’

‘Weet je misschien waar die menschen naar toe zijn?’


illustratie

‘Hoe kan ik dat nu weten? Twee keer opende een lange, magere man me de deur. Hij kocht echter niets. Kom, laat ik 'ns verder gaan, want ik heb vandaag nog haast niets verkocht.’

Peter, die nu genoeg wist, ging bedaard naar het volgende huis.

‘Laat ze maar waken,’ bromde hij, ‘wij komen voorlopig niet terug.’

Nu de nasporingen van den schout vruchteloos bleven, ging deze in Merkstein zijn broer Lennert 'ns opzoeken, om van hem nog eens een nauwkeurige beschrijving van de twee gauwdieven te krijgen. Toen hij zei, dat hij achter het net gevist had, sprong zijn broer op en riep:

‘Dat is niks, Willem! We krijgen ze. toch!’

‘Hoe dan, Lennert?’

Lennert vertelde nu, hoe zij overeengekomen waren, om de eerstvolgende Donderdag weer mee te rijden.

‘Ik heb die schavuiten in de gaten. Ik liet me ontvallen, dat ik dan geld zou beuren en nu durf ik er alles op te verwedden, dat zij het op mijn beurs gemunt hebben. Ik heb een plan! Let op, Willem!

Tegen twee uur staan ze bij de Pootpoort op mij te wachten. Ik laat ze opstappen. Een eind verder sta jij met je mannetjes. Je houdt mijn kar aan en eist een onderzoek. Dan heb je ze voor het grijpen, snap je?’

‘Top, jongen! Slim bedacht, hoor! Dat doen we. Een eind voor de poort stellen wij ons verdekt op. Ik blijft op straat op en neer lopen en als je me ziet, knal je met de zweep, het teken, dat ze in de wagen zijn.’

‘Afgesproken, broer! Tot Donderdag!’ - - -


  • * *

[p. 134]


Doordat Baltus alles fijn uitgespionneerd had, hadden vader en Peter een aardige hoeveelheid boter en enige kazen kunnen bemachtigen.

Nu waren ze op weg naar Aken en stapten moeizaam voort in de hitte. De hevige onweersbui, welke hen in de buurt van Richterich overviel, dwong de mannen ijlings een schuilplaats in een oude schuur te zoeken. De bliksemflitsen schoten onophoudelijk uit de donkere wolken, de donder ratelde onheilspellend en een dicht regengordijn hulde huizen en bomen in een waas.

Flits...., een hevig licht en vlak daarop een geweldige slag. Ties en Peter hielden de handen voor de ogen. Dat was raak geweest. Een vijftig meter verder zagen zij, dat de bast van een canada van de top tot de wortel opengescheurd was.

De storm, die nu losbrak, joeg de wolken met een geweldige vaart naar het Zuiden. De regen werd minder en na een kwartiertje scheen de zon weer.

Ties en Peter namen hun pakken wederom op en begaven zich dadelijk op weg. Zij kwamen nog tijdig op de Akense markt, waar zij niet lang op kopers hoefden te wachten, want zo gauw de mensen bemerkten, dat ze goede waren hadden, vloog alles weg.

In de grote herberg bleven ze plakken tot kwart voor twee. Het carillon speelde het derde kwartier, toen ze opstonden om zich naar de afgesproken plaats te begeven.

‘Ziezo, Ties, deze dag wordt de beste, die we ooit gehad hebben. Vind je ook niet?’

‘Nou en of. In het veld achter Richterich kunnen we het best de beurs opeisen. Geeft hij ze niet goedschiks, dan... je weet wel.’

Ze hadden nauwelijks een paar minuten bij de poort gewacht, toen de bekende huifkar verscheen.

De voerman wuifde en riep, dat zij buiten de stad mochten opstappen. Dat gebeurde. De mannen kropen achter in de wagen en gingen gemakkelijk liggen.

Gelukkig bemerkten ze de glimlach van den voerman niet, toen deze met een krachtig ‘vooruit beestjes’ de paarden aanzette.

Ties en Peter gaven elkaar een knipoogje en verkneukelden zich reeds bij voorbaat, dat zij op een gemakkelijke manier een aardig sommetje in handen kregen. Wat zou die sukkel een beteuterd gezicht trekken.

Ze hadden de Tiddarderberg bereik en stap voets trokken de paarden de wagen de helling op.

Lustig liet de boer de zweep knallen.

‘Halt, voerman!’ riep een stem.

[p. 135]


Dadelijk stonden de dieren stil. Lennert deed, alsof hij zijn broer niet kende en riep verontwaardigd:

‘Wat moet dat betekenen? Wie ben je?’

‘Wij moeten weten, wat je vervoert!’

Op dat moment kwamen een tiental mannen uit de struiken langs de weg te voorschijn en vormden een kring rondom de kar.

‘Nou, bij mij is niks te vinden. Ik heb graan naar de stad gebracht. Hier achter me in de bak zitten twee mannen, die de Akense markt bezochten. Laat me dus in vrede verder rijden.’

‘Ho, manneke, wij willen dat eerst zien. Kom maar 'ns naar beneden en die twee personen in de wagen moeten ook uitstappen.’

Alle drie deden, wat hun bevolen werd.

Nauwelijks stonden Ties en Peter op de grond, of de politiemannen vielen over beiden heen en eer zij goed en wel van de schrik bekomen waren, lagen zij stevig geboeid op de straatkeien.

De schout wendde zich tot Ties:

‘Had je niet gedacht, hé Ties Langeveld, dat je reisje zo zou aflopen? Wat hebben jullie in Aken uitgevoerd?’

Geen antwoord, enkel een kort spotlachje.

‘Lach maar! Nu kun je het nog. Ju zult ook een keer anders piepen, Ties van Bleyerheide. Je kameraad zal misschien wel zo goed zijn ons te zeggen, wat jullie in de stad te doen hadden?’

Peter zweeg eveneens.

‘Kijk, die is ook stom van verbazing, dat hij opeens zoveel gezelschap heeft gekregen. Maar, niet erg hoor. We zullen nog wel tijd genoeg krijgen, om samen wat te keuvelen. Mannen, aanpakken!’

Naast de gevangenen, die zonder veel omslag in de wagen gehesen werden, namen op bevel van de schout vier dienaars plaats, om Ties en Peter te bewaken en te 's Hertogenrade op de burcht in te leveren.

Tot boven op de berg liepen de mannen, die geen dienst hadden, naast het voertuig. Daar zetten de paarden zich in een draf, zodat de begeleiders van zelf achterbleven.


  • * *


Gedurende de tijd, dat Ties en Peter in voorarrest zaten, verzamelde de schout allerlei gegevens omtrent de gevangenen en zodra hij daarmee klaar was, begon het verhoor.

Eerst verscheen Ties voor den rechter. Als getuige zat Kaspar Hembeek naast den griffier. Op de vraag of hij dien man kende, antwoordde Kaspar, dat hij de persoon was, die Nand Doveren in de kelder bij baas Kreekmans gebracht had. Duidelijk had hij hem in het licht van het kelderraam gezien.

[p. 136]


Ontkennen ging niet meer en daarom gaf Ties maar toe, dat hij in opdracht van een onbekende dien jongen naar dat huis gebracht had. Wie die opdrachtgever was, kon hij niet zeggen.

‘Breng hem weg,’ beval de rechter, ‘en haal den andere.’

Peter stond zenuwachtig aan zijn jas te plukken, toen de rechter hem streng aankeek.

‘Ben jij Peter Korten?’

‘Ja, heer.’

‘Zo net heeft je medeplichtige verklaard, dat jij de leiding had bij die roofoverval. Dat zal je duur komen te staan, Peter Korten. Vertel ons maar eens precies, waarom en hoe je dat gedaan hebt.’

Peter werd rood van kwaadheid. Nu wou die Ties hem voor alles laten opdraaien.

‘Maar, Heer Rechter, wat een gemene leugenaar. Hij heeft de hele zaak op touw gezet, evenals die inbraak in Kloosterrade.’

‘Zo, zo, zijn jullie daar ook schuldig aan? Kijk, kijk, dat wordt interessant.’

Peter, die in zijn woede onvoorzichtig geweest was, beet zich op de lip. Het was echter te laat en om het niet erger te maken, zei hij verder geen woord meer. Het verhoor werd gesloten.

De volgende dag maakten de gevangenen kennis met de folterkamer, maar ze bleven bij hun eerste verklaring, dat een onbekende hun tegen een goede beloning de opdracht gegeven had Nand Doveren te vangen.

Het vonnis luidde: geseling en enige jaren opsluiting op water en brood!

De beide inbraken werden apart behandeld.

Ties bleef bij hoog en laag beweren, dat hij daar niets mee te maken had.

Een grote zak werd binnengebracht en op de vloer leeggeschud.

Met verbazing keek Ties naar de hoop veren. Wat had dat te betekenen? Onwillekeurig moest Ties lachen en hij bromde:

‘Dat is zeker voor mijn veren bed. In elk geval te verkiezen boven de hoop stroo, waar ik nu op slaap.’

Dadelijk schoot een stokbewaarder toe, die hem een paar flinke porren in de rug gaf en snauwde, dat hij zwijgen moest.

Ties Langeveld, vertel ons eens, hoe die veren in je huis gekomen zijn? Die zak vonden wij bij een huiszoeking.

Op het eerste moment wist de man geen antwoord te geven. Toen probeerde hij zich te redden met de uitvlucht, dat hij die veren gespaard had, om ze later te gebruiken.

‘Probeer nu niet, ons wat wijs te maken, man, anders moeten we weer het bekende middel toepassen, waarvan je bij ervaring

[p. 137]


weet, dat het een goede uitwerking heeft. Zeg, hoe zijn jullie binnen gekomen?’

Ties dacht aan de afspraak, dat zij Baltus nooit zouden verraden. Daarom zei hij maar gauw:

‘Wij zijn met behulp van een ladder, welke wij in de kloostertuin vonden, op de binnenplaats gekomen.’

‘Hebben jullie de waakhond in de schuur opgesloten? Leg eens uit, hoe je dat klaar gespeeld hebt?’

‘Een waakhond?’ vroeg Ties verwonderd. Die hebben wij niet gezien!’

‘Hoeveel kippen waren het? Aan de veren te oordelen wel een vijftien stuks.’

‘Zo ongeveer zal 't wel zijn. Precies weet ik het niet meer.’

De cipier bracht Ties weg en nu was Peter aan de beurt, die nagenoeg hetzelfde verklaarde als zijn kameraad. De rechter was tevreden.

Nu de tweede inbraak. Men had geen enkel bewijs, dat het tweetal daar schuldig aan was.

Maar Langeveld, hoe kwamen jullie aan al dat geld, dat je bij de gevangenneming op zak had? Het was nog al een groot bedrag voor jullie soort volk!’

Die vraag kwam vrij onverwachts en Ties raakte een ogenblik in de war. Hij herstelde zich weer gauw en antwoordde:

‘Dat geld heb ik van een kennis in Aken teruggekregen, die het jaren geleden van mij geleend heeft.’

De rechter, die Ties naar de gevangenis terugstuurde, was nieuwsgierig naar de verklaring van Peter Korten.

Op de bewuste vraag wist deze ook geen antwoord en het verzinsel klopte in het geheel niet met de verklaring van Ties, zodat de rechter begreep, dat zij geen tijd meer gehad hadden, om een afspraak te maken over de herkomst van dat geld, ingeval zij gesnapt werden. Hij zag in, dat hij met doortrapte booswichten te doen had en veroordeelde ze dan ook tot gevoelige lichamelijke straffen.

  • * *


Voor Baltus, die nu in angst en zenuwslopende spanning leefde, was het een ellendige tijd, want een onvoorzichtig woord kon hem in de grootste moeilijkheden brengen. Bij eenieder, die hij buiten de abdij ontmoette, informeerde hij voorzichtig naar de gevangenen, zorgvuldig verzwijgend, dat zijn vader er bij betrokken was. De gekste dingen werden hem verteld, zodat Baltus ten lange laatste niet meer wist, wat hij geloven kon. Als hem gevraagd werd, of die Langeveld familie was, dan maakte hij zich van die netelige vraag af door te zeggen, dat er wel meer Langevelden in Bleyerheide woonden.

[p. 138]


Op zekere morgen moest Baltus bij den abt komen. Met kloppend hart verscheen hij in de werkkamer.

De abt vroeg hem, of hij wist, dat zijn vader Nand Doveren achtervolgde. Baltus ontkende het en beweerde uit angst voor het gerecht, niet te weten, waarom zijn vader Nand zo haatte.

De abt, die aan zijn onschuld geloofde, temeer, omdat de naam van den jongen geen enkele keer gedurende het proces genoemd was, gaf Baltus de raad de abdij zo weinig mogelijk te verlaten. Wel vond hij het goed, dat Baltus zijn vader eens ging bezoeken in de gevangenis en hij beloofde bij de heren van het gerecht de toestemming daarvoor te vragen.

Baltus was blij, toen hij weer in de gang stond.

De dagen, die nu volgden, waren voor hem allesbehalve prettig. Zich angstvallig zoveel mogelijk terughoudend, volgde hij met spanning de gesprekken en hij luisterde, of zijn naam niet genoemd werd in verband met het proces.

De veroordeling bracht in zoverre een verlichting, dat Baltus nu zekerheid had, dat vader en Peter hem gespaard hadden.

Zodra de jongen vrij was, begaf hij zich naar 's Hertogenrade, waar hij zonder veel moeilijkheden in de gevangenis toegelaten werd. Hij schrok, toen hij zijn vader zag.

Lange tijd zaten zij zwijgend tegenover elkaar, tot Baltus de hand van zijn vader greep en hem vertelde, wat een angst en verdriet hij geleden had.

‘Ja, beste jongen, dat begrijp ik wel. Maar we hebben je toch niet verraden. Zeg me eens, Baltus, had je geen moeilijkheden om binnen te komen?’

‘Dat ging nog al goed, vader, want de abt heeft een goed woordje voor mij gedaan. Kon ik nu maar wat voor je doen, dat je hier vandaan kwam.’

‘Dat kun je, Baltus,’ fluisterde Langeveld. ‘Als je weer komt, breng dan, verborgen onder je kleren, een vijl mee. Ik wil in elk geval een poging wagen om uit te breken.’

Baltus kon geen antwoord meer geven, want de cipier kwam de cel binnen en zei, dat de jongen vertrekken moest.

Van tijd tot tijd ging Baltus naar de gevangenis en wist twee vijlen naar binnen te smokkelen, die zijn vader zorgvuldig onder het stroo van de slaapplaats verborg.