Avonturen in het land van Rode/Johan vertelt van zijn vaderstad

Avonturen in het land van Rode




18 Johan vertelt van zijn vaderstad

Baas Kreekmans bleef ook zwijgen voor de schepenbank. Duimschroeven en Spaanse stevels hadden geen uitwerking. Wegens medeplichtigheid aan roofovervallen en vrijheidsberoving werd hij gebrandmerkt, verbannen en werden al zijn bezittingen verbeurd verklaard.

Nu wist men nog maar steeds niet, wie de hoofddaders waren. De nasporingen in Bleyerheide hadden geen resultaat, waaruit men opmaakte, dat de schavuiten verdwenen waren.

Enige dagen na de veroordeling van Kreekmans stond de reiswagen voor het klooster. Op een soort bagagedrager tussen de hoge achterwielen bonden twee knechts drie kisten stevig vast met dikke touwen. Op de bok zat de gebochelde paardenknecht met de teugels in de hand, gereed om dadelijk te vertrekken, zodra de reizigers ingestapt waren.

Daar kwamen ze naar buiten. De prior en Nand. Het doel van hun reis was de Ahr, een zijrivier van de Rijn, waar de wijnbergen van Kloosterrade lagen en waar Nand op bevel van den abt de hele zomer moest blijven, om in het najaar tegelijk met het grote wijntransport weer naar de abdij terug te keren. Op de Roderhoeve te Ahrweiler konden ze altijd hulp gebruiken.

Eerst stapte de prior in de wagen en nam plaats op de met zacht pluche beklede achterbank. Nand volgde en ging tegenover hem zitten.

Het portier klapte dicht, de paarden trokken aan en het rijtuig verdween snel in de richting van het aloude Aken. Drie kwartier later reden de reizigers door de Pontpoort de stad binnen.

Bij hun rit dwars door de keizerstad vestigde de prior de aandacht van Nand op het raadhuis en de dom. In de Elfschoor-steenstraat, waar de wagen voor het refugiehuis van Kloosterrade stopte, werden twee kisten afgeladen, waar gewichtige documenten in zaten, die in het vluchthuis binnen de stadsmuren veiliger opgeborgen waren, dan in de abdij.

De verschillende zaken, welke prior Fabritius in het refugiehuis nog te regelen had, zouden wel de hele middag en misschien nog een gedeelte van de nacht in beslag nemen.

Omdat zij tot de volgende dag overbleven, gaf Fabritius aan Nand verlof om met het knechtje van het huis, Aken te gaan bezichtigen, iets waar Nand mee in zijn schik was.

Zo gauw de jongen zijn werk af had, verscheen hij in de gastenkamer en vroeg aan Nand, of hij lust had in een zwerftochtje.

‘Ja, direct hoor! Maar zeg me eerst, hoe je heet. Mijn naam is Nand!’

[p. 104]


‘Tegen mij zeg je maar Johan, hoor!’

Samen gingen ze op stap. Als geboren Akenaar, wist Johan heel wat te vertellen van zijn vaderstad.

Natuurlijk moest Nand 't eerst, omdat die zo kort bij waren, de hete bronnen zien.

Midden in de straat borrelde in kleine gemetselde putjes heet water omhoog. 't Was zo warm, dat je er geen hand in kon houden en 't rook ook niet erg aangenaam. Precies rotte eieren, vond Nand.

‘Dat is waar, jongen, maar het water is gezond. Elke dag komen hier heel wat Akenaars om van dit water te drinken,’ legde Johan uit.

‘Nou zeg, ik liever niet. 't Is om er van te walgen.’

Een kind, dat, terwijl de jongens daar stonden te kijken, een kan tot de rand vulde, zette deze aan de mond en nam voorzichtig slurpend een slokje.

‘Kijk, Nand, die drinken het geneeskrachtige water thuis met de hele huishouding en blijven er gezond bij.’

‘Zij liever als ik, Johan. Kom, laten we eens verder gaan. Als we hier bij die bronnen blijven, zie ik niets van de prachtige gebouwen, waar we zo straks langs gekomen zijn. Morgen moeten we weer verder en ik kom hier zo gauw niet terug.’

Langs de kortste weg bracht Johan zijn gast naar het Lieve Vrouwen Munster, de trots van de stad.

Met bewondering keek Nand naar het reusachtige bouwwerk met zijn hoge vensters.

Johan vertelde, wat hij thuis, als ze 's avonds in de schemering bij elkaar zaten, zo dikwijls van vader gehoord had.

‘Nadat Karel de Grote hier op een open plek midden in de uitgestrekte bossen zijn burcht gebouwd had, begon hij met de bouw van het Munster.

In Italië bestelde hij het prachtige marmer en uit de buurt van Verdun kwamen de grote blokken hardsteen. Ook de steengroeven uit onze omgeving leverden veel bouwmateriaal. Dag en nacht arriveerden vrachten uit Valkenburg en Maastricht.

Einhard, de bijzondere vriend en geheimschrijver van Karel, kreeg de leiding bij de bouw.

De keizer, die geregeld de gang van zaken inspecteerde, praatte minzaam met de arbeiders en spoorde hen aan hun uiterste krachten in te spannen, want het moest 't schoonste Munster worden, dat ooit aan Onze Lieve Vrouw was toegewijd.

Bedreven handwerkslieden uit alle gouwen van het keizerrijk vonden werk in Aken. Uit Italië en Engeland liet Karel ervaren steenhouwers en smeden komen. Alles ging naar wens en er heerste in onze stad een ongekende bedrijvigheid.

Karel de Grote was in die tijd in oorlog met de Saksen, een

[p. 105]


stam, die zich maar niet wilde onderwerpen en heftige tegenstand bood. Dit had tot gevolg, dat de keizer zelf de leiding van zijn legers in handen moest nemen.

Voor zijn vertrek riep hij de bouwmeesters en de raadsleden van de stad op zijn burcht. Dringend beval hij, dat gedurende zijn afwezigheid geen vertraging in de bouw van de kerk mocht komen, want bij zijn terugkomst wilde hij ze kant en klaar zien, omdat hij voorzag, dat de oorlog nog lang zou duren.


illustratie

De bouw van de kerk verslond ontzaglijke sommen.

Op zekere dag was het geld op en was men dus gedwongen het werk te staken. Alle pogingen, om geld te krijgen, mislukten.

De raad van de stad, die met spoed bij elkaar geroepen was, besprak lang en breed de toestand, maar er werd geen uitweg gevonden. Met schrik en angst dachten de heren al aan de toorn van den keizer, als ze niet op tijd klaar waren.

Veel ambachtslieden verlieten reeds de stad. De raadsleden, die lelijk in de knel zaten, waren het er over eens, dat er geld moest komen, al leenden ze het van den duivel.

Op een avond, dat de raad weer vergaderde en de mannen met ernstige gezichten beraadslaagden, ging onverwachts de deur van de vergaderzaal open en een keurig geklede heer trad binnen. Deze boog voor de vergaderde mannen en zei:

“Heren! De hele stad weet, dat jullie in grote geldverlegenheid zitten. De oorlogen verslinden geweldige sommen en jullie

[p. 106]


kunnen met de beste wil nergens geld krijgen. Zelfs tegen woekerrente is het onmogelijk ook maar een klein kapitaal te bemachtigen. Ik ben gelukkig zeer rijk en kan jullie helpen. Graag wil ik de benodigde som geven voor de voltooiing van uw Munster.”

De raadsleden sprongen van hun zetels op en wisten niet, hoe ze den vreemdeling konden bedanken voor zijn hulp.

De voorzitter verzocht den man te gaan zitten en sprak:

“Eeuwig zal Aken U dankbaar zijn voor dit aanbod. Welke rente verlangt U en welke zijn uwe voorwaarden?”

“Rente?” vroeg de onbekende. Rente wil ik helemaal niet. De som, welke ik U zal lenen, hoeft U me zelfs niet eens terug te betalen. Ik stel slechts één voorwaarde. Luistert! De ziel van dengene, die 't eerst het kerkgebouw binnengaat is voor mij.’

Als door de bliksem getroffen staarde de vergadering den man aan. Een ogenblik maar, toen vlogen de geschrokken raadsheren van hun stoelen en kropen onder de tafel, want nu wisten zij, wie voor hen stond, niemand minder dan de duivel in mensengedaante.

Een schaterlach daverde door de zaal.

Onder de tafel sidderden de bestuurders der keizerstad van angst.

De duivel sprak honend:

‘Nou, waarde heren, ik had niet gedacht, dat jullie, die toch zelf om mijn geld gevraagd hebt, zo'n bangeriken waren. Ik ben zo edelmoedig om het aan te bieden en nu kruipen jullie als bange hazen voor me weg. Wilt ge mijn voorwaarde niet aanvaarden? Ook goed! Met die som kan ik zonder moeite een half dozijn zielen krijgen, want geld is en blijft steeds het beste middel om zielen te vangen. Daarbij komt nog, dat jullie heel slecht kunnen cijferen. Hoeveel zielen worden mij niet door die kerk, waar ik het geld voor geef, afhandig gemaakt? Ik verlang er slechts één enkele en ieder begrijpt, dat in dit geval het voordeel niet aan mijn kant is. Ziet maar, dat jullie het bedrag ergens anders opscharrelen. Ik behoud het mijne.’

De duivel had de deurklink al in de hand en wilde weggaan.

Enige mannen riepen, dat hij wachten moest. Ze kwamen weer voor de dag, staken de koppen bij elkaar en vonden, dat ze het voorstel maar moesten aanvaarden.

De overeenkomst werd getekend en gezegeld. In ruil voor de eerste ziel, die het nieuwe Munster binnentreden zou, kregen zij het geld.

De duivel stak het document in de zak en verdween.

Nauwelijks was deze weg, of het regende goudstukken in de zaal. Alle beschikbare kisten werden er mee gevuld en de raadsleden waren wat blij.

[p. 107]


Voordat ze naar huis gingen, werd besloten alles goed geheim te houden.

Één van de heren vertelde het echter heimelijk aan zijn vrouw. Een grotere onvoorzichtigheid had hij nooit kunnen begaan, want, omdat die natuurlijk ook niet zwijgen kon, wist nog geen veertien dagen later heel Aken, hoe men aan het geld gekomen was.

Met grote haast werd verder gebouwd en enige maanden later was de heerlijke kerk geheel voltooid.

De heren van het stadsbestuur zaten te kijken met de gestelde voorwaarde en begrepen wel, dat niemand het eerst in de kerk wilde gaan. Het geval bezorgde hun menige slapeloze nacht.

De burgers waren van mening, dat een van de raadsheren het maar doen moest. Maar geen van hen voelde daar iets voor. Goede raad was duur.

Een monnik redde de heren uit de moeilijkheid. Hij las het contract met den duivel eens nauwkeurig na en deelde de raad mede, dat de duivel een ziel verlangd had, maar er stond niet, dat het een mensenziel moest zijn.

Dat was een hele opluchting. Nu waren ze gauw klaar met hun geldschieter.

Enige jagers gingen naar het bos en vingen een wolf, die ze in een kooi zetten en bij den voorzitter van de raad brachten.

Het Munster was klaar. Alleen de grote bronzen deur moest nog in de scharnieren gehangen worden, wat de duivel gedurende de nacht zelf deed.

Toen de mensen nu de volgende morgen kwamen, bleven zij op een behoorlijke afstand van de deur, die wagenwijd open stond. Er achter zat de duivel geduldig te wachten.

Een paar boden van het raadhuis sleepten de kooi met de wolf tot voor de ingang, openden ze en joegen het dier de kerk in.

Onmiddellijk sprong de duivel toe, greep het arme beest en scheurde de ziel uit het levende lichaam. Woedend over het bedrog, verliet hij schreeuwend en knarsetandend het gebouw, terwijl hij de deur met zo'n smak dicht sloeg, dat er een barst in kwam. Kijk hier, Nand, hij is nog duidelijk te zien.’

Samen gingen ze de kerk binnen, waar Nand de grote schatten en de prachtige ramen bewonderde.

Ze wandelden over het Domplein. Vooral Nand bekeek nieuwsgierig de vreemde dingen, die voor de winkels uitgestald waren.

Ze kwamen bij het raadhuis.

‘Dit, Nand, was de burcht van Keizer Karel. Je weet, Aken is altijd zijn lievelingsstad geweest.

Op zekere dag zat Karel met een grote schaar ridders aan

[p. 108]


de feestdis. Zij aten de fijnste spijzen en dronken de koele wijn uit gouden bekers in een zaal, die met allerlei kostbare voorwerpen was versierd. De ridders bewonderden de rijkdom van hun keizer.

‘Wij hebben vele schatten,’ sprak Karel toen, maar het schoonste en kostbaarste kleinood, dat door een reus in de Ardennen als sieraad in zijn schild gedragen wordt, ontbreekt ons nog.

Nauwelijks had de keizer dat gezegd, of er stonden zes ridders op, die bereid waren de kostbare steen voor hun Heer te gaan veroveren.

Het waren de hertogen Milon, Naims en Hermon, de graven Richard, Garvin en Turpijn.

Zij kregen verlof van den keizer en reden goed gewapend naar de Ardennen.

Hertog Milon had een zoon, die Roeland heette. Deze smeekte zijn vader hem toch mee te nemen, maar Milon wilde hier niet van horen. Roeland echter bleef aanhouden en eindelijk gaf zijn vader de toestemming. De jongen mocht het schild en de speer dragen.

In de Ardennen aangekomen, gingen de ridders ieder hun eigen weg op zoek naar den reus, die zich verborgen hield in een van de vele ravijnen.

Vier dagen lang zochten ze vergeefs. Hertog Milon was erg moe en legde zich te slapen onder een eik, terwijl Roeland naast zijn vader zat en waakte.

Na enige tijd zag hij plotseling een verblindende schittering en zijn ogen met de hand beschermend, tuurde hij in de richting, waar dat vreemde licht vandaan kwam.


illustratie

Met een schok sprong Roeland op. Het was de reus, die van de berg afdaalde. De edelsteen in het schild straalde dat licht uit.

Wat moest de jongen doen? Zijn vader wakker maken?

Na kort beraad vond hij het beter hem niet te wekken. Hij gorde het zwaard aan, pakte schild en speer en reed op vaders paard den reus tegemoet.

Zodra de geweldige man den jongen in het oog kreeg, spotte hij:

‘Wat wil jij, nietige dwerg, op dat grote paard? Heb je zin om met mij te vechten?’

Meteen zwaaide hij met zijn vervaarlijke lans.

Roeland, die de slag tijdig wist te ontwijken, wierp zijn speer naar den reus, die deze met zijn schild opving, zodat ze in splinters vloog.

[p. 109]


Als de bliksem greep Roeland met beide handen het zwaard en sloeg den reus, die zich door zijn logheid niet zo vlug bewegen kon, de linkerhand af. Het wonderschild viel in het gras.

Zo gauw de reus zich bukken wilde om het met de rechterhand op te rapen, maakte Roeland van de gelegenheid gebruik om hem het hoofd af te slaan.

De jongen sprong van zijn paard, greep het schild en haalde er de fonkelende edelsteen uit, die hij in een doekje wikkelde en zorgvuldig in zijn buis wegstak. Aan een bron wies hij het bloed van zijn wapens en reed terug naar de eik, waar hij, moe van het gevecht, naast zijn vader, die nog altijd rustig sliep, zich in het gras uitstrekte en weldra in slaap viel.

Enige tijd later ontwaakte Milon en wekte vlug zijn zoon. Zij bestegen hun paarden, reden verder en vonden al gauw het lijk van den reus.

Milon ergerde zich geweldig, dat hij zijn tijd verslapen had en dat aan een van de andere ridders het geluk ten deel gevallen was den reus te overweldigen.

Roeland stond verbaasd te kijken. Alleen de romp lag nog in het gras. Het hoofd, de hand, het schild, 't zwaard en de lans waren verdwenen. - - -

In Aken wachtte Keizer Karel met ongeduld op de ridders. Hij stond voor het raam op de uitkijk, toen Turpijn met de afgehouwen hand van den reus op het plein verscheen. Even later kwamen hertog Naims met de lans, graaf Richard met het zwaard, graaf Garvin met 't schild en ten slotte hertog Hermon met het hoofd. Zij vonden het allen spijtig, dat ze niet met den reus hadden kunnen vechten. Wie hem gedood had, wisten zij niet. Het kleinood hadden ze ook niet gevonden.

‘Waar is Milon?’ vroeg Karel.

‘We weten het niet, Majesteit. We hebben hem niet gezien.’

De volgende dag reed Milon, gevolgd door Roeland, de stad binnen.

In de buurt van het paleis lichtte Roeland de edeltseen uit het schild van zijn vader en zette er de diamant van den reus voor in de plaats.

De keizer, omringd door veel ridders, stond op het bordes en zag al dadelijk, hoe het schild van Milon fonkelde en schitterde. Hij begreep, dat de hertog de edelsteen. veroverd had en riep:

‘Heil, Milon van Aglante. Jij bent de held, die den reus bevocht en voor ons het kostbare kleinood veroverde.’

Milon wist niet wat hem overkwam en werd verlegen. Hij wendde zich tot Roeland en sprak:

‘Vertel eens, hoe kom jij aan die edelsteen?’

De jonge held boog het hoofd en antwoordde:

[p. 110]


‘Heer Vader, wees niet boos. Ik heb met eigen hand den reus geveld, terwijl U sliep onder de eik.’

De keizer keek met welgevallen naar den dapperen jongen, sloeg hem tot ridder en benoemde hem tot zijn schilddrager.’

Ongemerkt hadden Johan en Nand de Elfschoorsteenstraat weer bereikt.

‘Johan, ik moet je mijn compliment maken. Je bent een uitstekend verteller en je kent de geschiedenis van je vaderstad op je duimpje. Ik hoop hier nog een keer terug te komen, hoor. Maar eerst moet jij me eens komen opzoeken, als ik weer in Kloosterrade ben. We gaan dan ook naar “Zur Wentzelen,” naar mijn ouders, die het leuk zullen vinden eens kennis met je te maken.’

‘Graag, Nand. Je moet me dan de hele abdij laten zien. Daar moeten veel bezienswaardigheden zijn. Dat heb ik vaak gemerkt, als ze hier over Kloosterrade spraken. Van onze goede stad weet ik nog heel wat. Als je weer komt, trekken we er nog eens op uit en vertel ik je de geschiedenis van den smid uit de Jacobstraat.’