Avonturen in het land van Rode/Kerstmis op de hoeve ‘Zur Wentzelen’

Avonturen in het land van Rode




1 Kerstmis op de hoeve ‘Zur Wentzelen’

Drie dagen voor het Kerstfeest begon het te sneeuwen. De witte laag op de heuvels werd steeds dikker. Op Kerstavond draaide de wind naar het Oosten, waardoor de grijze wolken spoedig verdwenen. Ontelbaar veel sterren schitterden in de zwart-blauwe vrieslucht. De boer van de hoeve ‘Zur Wentzelen’ - de tegenwoordige Terwinseler Hof - sloot de grote inrijpoort. Het werk was klaar, het vee verzorgd en de dorsvloeren opgeruimd. De bewoners van de hofstede verzamelden zich voor het avondeten aan de lange blankgeschuurde ruwhouten tafel in het grote keukenvertrek. Ieder kreeg een bord met dampende pap en daarnaast lag een twee-vinger dikke snee donker roggebrood. De een na de ander schoof op een van de lange banken aan weerszijden. Na het eenvoudige gebed grepen zij de houten lepels en aten zwijgend hun avondmaal.

[p. 2] Terwijl de boerin en de meiden de tafel afruimden en in een aangrenzend vertrek gingen afwassen, zochten de mannen een warm plaatsje bij de open haard. De jongste knecht haalde een paar knoestige beukenblokken in het houtschuurtje op het erf en smeet die op het vuur. Knetterend zakte de grotendeels verkoolde houttoren in elkaar, zodat de vonken omhoog sproeiden en in de duistere schouw verdwenen.

De ouderen praatten over de oorlog, die door de pas gesloten vrede van Utrecht ten einde was, en over het gespuis, dat bij nacht en ontij langs de wegen liep. Toen Dingo, de heemhond, plotseling blafte, was het stil en werd er geluisterd, of soms iemand aan de poort rammelde. De jongeren volgden aandachtig, maar zwijgend het gesprek. Van naar bed gaan was geen sprake op die heilige avond, want volgens oud gebruik gingen de mannen van de hoeven der Abdij Kloosterrade naar de nachtmis, die door Vader Abt gelezen werd.

Tegen elf uur schoof de grendel van de kleine poortdeur. Een groepje mannen, van wie er twee een stallantaarn droegen om de weg te verlichten, trad naar buiten. Achter hen deed de boerin, die de hond in bedwang hield, de poort weer op slot.

Voorop liep de boer met den oudsten knecht. Daarachter de zeven jongens met de overige knechts. Op de rijweg door de ‘huiswei’ waren zij door een hoge dorenheg beschut tegen de vinnige kou. Maar eenmaal buiten het hek blies hen de grimmige Oostenwind recht in het gezicht, zodat ze huiverend de mutsen dieper in het hoofd trokken. De veldweg, die zij nu volgden, leidde langs het Kaal-heiderbos naar de steenweg, welke de abdij met de heerbaan van Maastricht over Heerlen en Drievogels naar Aken verbond. De mannen bleven dicht bij elkaar. Zo beschutte de een den ander een beetje tegen de felle wind. Ofschoon de korst hard bevroren was, zakten zij toch bij iedere stap een eindje in. Bij Kaalheide bereikten zij de grote weg. Hier ging het beter. In de holle wegen was het donker. Als zwartbruine vlekken lagen de met struiken begroeide bermen in het smetteloze wit. De kerkgangers hoorden klokken luiden. Het was het gelui van Sint Lambertus, dat de Kerkradenaars ter nachtmis riep.

De weg ging bergaf naar de Anstelbeek, waar een andere hoeve van Kloosterrade, ‘de Maelmul in der Brucken’, de tegenwoordige Brughof, lag. De horigen van ‘Zur Wentzelen’ gingen voorbij. Het licht van een raapolielampje schemerde vaag door een der vensters van het woonhuis. Daar maakte men zich dus ook gereed voor de mis. Ruisend stroomde de Anstelbeek onder de weg door. Als een zwarte streep kronkelde ze door de witte weiden om te verdwijnen in de bossen rondom huize Ehrenstein.

[p. 3] Nu de Kerkraderberg op. Beneden aan weerszijden diepe ravijnen en verderop de hoge bermen van de Wijngracht, donker door het struikgewas. Onwillekeurig liepen de mannen hier dichter naast elkaar. Ze dachten aan rovers.

Nauwelijks een paar weken geleden reed hier op een avond een zwaar beladen wagen naar Kloosterrade. Enige woeste kerels versperden plotseling de weg. Geweren knalden. De voerman tuimelde van de bok. De bende verdween met paard en al. Twee dagen later vond men de leeggeplunderde wagen op een eenzame plaats bij Spekholz. Met schuwe ogen keken de kerkgangers rond, of er niets bewoog achter die kale takken. Zij voelden zich pas veilig, toen zij boven in Kerkrade kwamen en de weg naar de abdij insloegen. Het gelui van Kloosterrade, dat zij nu opeens duidelijk hoorden, deed hun de pas versnellen, zodat zij spoedig het groepje mensen, dat een eind voor hen liep, ingehaald hadden. Dat waren de horigen van de hoeve ‘Grossen Vroenrade’ bij Horbach in de heerlijkheid ‘Zur Heiden’, bij wie zij zich zwijgend aansloten.

Ginder ver werd vaag de toren van Rode zichtbaar. Toen zij door de ruisende eikenlaan liepen, zagen zij de verlichte kerkramen. Dreunend viel de klopper op de kloosterpoort. Even later opende de portier. De mannen traden binnen. Zacht schuifelend over de zartwitte plavuizen, beklommen ze de trap naar de feestelijk versierde kerk. Het priesterkoor straalde in het licht van honderden kaarsen. De dubbele rijen koorbanken aan weerskanten waren nog leeg. Achter het hekje, dat het gedeelte bestemd voor de kloosterlingen afsloot van de ruimte voor de gelovigen, waren reeds verschillende banken gevuld. Geheel vooraan zaten, de horigen van hoeve ‘Uff der Anstelen’ en die van hoeve ‘Wingaerdsberg’. Hierachter nam boer Doveren van ‘Zur Wentzelen’ met zijn zoons en knechts plaats. Even voor twaalven kwamen, enigszins gehaast, ook de bewoners van de ‘Maelmul’, die van hoeve ‘de Men’ en tenslotte nog de horigen van de ‘Vinckenberg’ binnen.

Door een zijdeur verschenen de broeders, die in eerbiedige houding naar het middenpad gingen, knielden en geruisloos hun plaatsen innamen. Twee aan twee betraden de Koorheren het heiligdom. Zij negen diep voor het tabernakel en schreden naar de koorbanken, waar zij na een kort gebed de grote missaals openden en de introïtus van de ‘Missa in nocte’, van de nachtmis, opsloegen.

Eerbiedig wachtten allen op de komst van Vader Abt.

Bim, bim! - - - Een lange stoet verliet de sacristie. Voorop de misdienaars met wierooksvat, scheepje en kandelaars, daarachter de priesters in gewaden zwaar van goud en eindelijk Vader Abt met staf en mijter.

[p. 4] Orgelmuziek bruiste door de schemerige gewelven en het koor zong een oud kerstlied.

De mis begon. - - -

Na de mis verzamelden zich de boeren in de ruime hal. Daar was intussen een lange tafel neergezet en werd ieder getracteerd op een kan eigen bier en een dik met boter besmeerde snee tarwebrood: Een echte feestmaaltijd voor die mensen, die thuis steeds uiterst sober leefden. Nadat allen verzadigd waren, vertrokken ze. In Kerkrade splitsten zich de groepen. De lui van hoeve ‘die Maelmul in der Brucken’ daalden met die van ‘Zur Wentzelen’ de Kerkraderberg af. Onder bij de Anstelbeek wensten zij elkaar een prettige feestdag.

Doveren stapte met de zijnen in de richting van Kaalheide. Het was nu prettiger lopen met de wind in de rug. Naast den ouden boer liep Nand, de jongste zoon. Hij vroeg vader allerlei dingen over de abdij, den Abt en de andere bewoners. Dat interesseerde den jongen allemaal heel bijzonder, omdat hij van plan was met Nieuwjaar de boerderij te verlaten en dan knecht in het klooster te worden.

Zo pratend waren ze na een goed kwartier thuis. Met één woord kalmeerde boer Doveren de hond, die luid blaffend tegen de binnenkant van de poort sprong. Vanbinnen knarste de grendel, de kleine deur ging open en achtereenvolgens stapten de donkere gedaanten in de zwarte opening. Bij het rosse licht van de stallantaarns beklommen zij de ‘spronk’*, zich goed vasthoudend aan de leuning vanwege het ijs op de treden. Bij het naar binnengaan beloofde vader aan Nand, dat hij na het avondeten de geschiedenis van den stichter van Kloosterrade vertellen zou. Even later was alles in diepe rust. - - -

Slechts enkele uren konden de hoevebewoners slapen, want, toen de dag aanbrak, eiste het vee hun zorg. De Kerstdag ging voorbij als een gewone Zondag. Alleen de maaltijden waren iets feestelijker. Na het middageten mochten de jongens en de knechts naar de vijvers van het kasteel ‘Striethagen’ om zich daar een paar uurtjes te vermaken. Tegen vier uur, het begon reeds te schemeren, kwamen ze thuis. Toen haastten zij zich in het werkplunje en naar de stallen.

Bij het avondeten kregen ze eerst pap en daarna beboterd roggebrood met bier. Dat was hun feestdis. Zodra de mannen na het maal bij het haardvuur zaten, herinnerde Nand zijn vader aan hetgeen hij beloofd had.

Moeder en de meiden, die ook graag de vertelling wilden horen,

  • De spronk is de hoge stoep rondom de mestvaalt van de Limburgse boerderijen. Op de hoeve ‘zur Wentzelen’ moest men bovendien nog een haardstenen trap beklimmen om de huisdeur te bereiken.

[p. 5] lieten de deur open en maakten zo weinig mogelijk gedruis met het eetgerei. Vlug werden nog enige houtblokken op het vuur gestapeld. Net toen vader met het verhaal over den Stichter van Kloosterrade wilde beginnen, viel met een zware slag de klopper op de poort. Geschrokken keken allen op en de vrouwen kwamen met bleke gezichten in de keuken terug. Wie kon dat zijn? Zij dachten aan de rondzwervende boeven. De hond was uit zijn hok gevlogen en ging geweldig te keer.

Doveren pakte zijn ‘goeden dag’, een met ijzer beslagen knots, en liep naar buiten. Bij de poort gekomen, vroeg hij, wie er was.

‘Maak open, Joep! Ik ben het, je broer Hannes.’

Dadelijk herkende Doveren die stem. Hij schoof de grendel weg en trok zijn verkleumden broer, van wien hij jaren niets meer gehoord had, haastig naar binnen. Dingo echter vertrouwde den vreemdeling niet al te zeer. Als de baas hem niet bij de halsband gegrepen had, was ie Hannes naar de keel gevlogen. Doveren bracht zijn broer, nadat hij alles weer goed gesloten had, in de keuken. De aanwezigen keken den man in zijn gehavende soldatenplunje verbaasd aan. Was dat Hannes, die met het Staatse leger was meegegaan? Wat zag hij er toen kranig

illustratie

uit in zijn kleurige uniform! En nu stond hij daar, bleek en hongerig, met vervuilde kleren en totaal versleten schoeisel. Direct kreeg hij het beste plaatsje aan de haard. Vrouw Doveren, die medelijden met haar zwager had, zorgde voor een flinke hartversterking. Na een half uurtje voelde Hannes zich weer wat opgeknapt en kon hij de nieuwsgierige vragen beantwoorden. Bijna dertien jaar was hij weg geweest. Omdat men nooit meer iets van hem vernomen had, dacht iedereen, dat hij ergens ver weg gesneuveld was. Joep verheugde zich, dat zijn enige broer weer was teruggekeerd.

Ofschoon Hannes een vermoeiende dag achter de rug had, was hij toch bereid om een en ander van zijn wedervaren te vertellen.

[p. 6] ‘Van hier,’ zo begon de soldaat, ‘trok ik naar Maastricht, waar ik in garnizoen kwam. Daar moest ik mijn recrutentijd doormaken. Dat viel helemaal niet mee. 's Avonds waren wij op van vermoeidheid. Toen brak de oorlog uit. De stadspoorten waren gesloten en werden streng bewaakt. De Fransen naderden de stad. Ondanks de nauwlettende bewaking wisten enige spionnen, al zwemmend over de Maas, bij nacht in de vesting te komen. Geholpen natuurlijk door verraders binnen de muren, kregen zij in het geheim een onderkomen in een smerig kroegje, dat enkel bedelaars tot klanten had. Die spionnen zochten contact met Staatse soldaten. Dit lukte. Er werd een plan ontworpen om Maastricht in handen van den vijand te spelen. De wacht bij de Tongerse poort wilden ze overrompelen, waarna de verraders de poort zouden openen om zo bij nacht de vijand in de stad te halen. Het plan lekte uit. De commandant, die korte metten met de samenzweerders maakte, liet ze geselen op het Vrijthof, dat het bloed hun langs het lichaam stroomde en daarna vierendelen.’ De luisteraars in de keuken huiverden van afschuw voor deze gruwzame straf.

‘In 1703 vertrokken wij onder commando van den kapitein-generaal-Marlborough met een troep van dertigduizend man naar Zuid-Duitsland. Begin Augustus 1704 zagen we de oevers van de Donau, waar wij ons verenigden met het leger van den Duitsen keizer onder aanvoering van Prins Eugenius. Bij Hochstädt en Blenheim ontmoetten wij de verenigde Franse en Beierse legers, die onmiddellijk tot de aanval overgingen. Al dadelijk ontwikkelde zich een hevig gevecht, waarbij ik met mijn hopman van de troep afraakte. Wij waren omringd door Beieren. Het ging op leven en dood. De hopman, die van zijn paard gesprongen was, leunde aan de rechter kant met de rug tegen het rijdier, hield met een hand zijn paard in bedwang en zwaaide met de andere de sabel. Ik stond aan de andere zijde en hield me de vijanden van het lijf met een lange ijzeren lans. De Beieren, die van alle kanten opdrongen, probeerden mij met hun pieken te doorboren. Ik brulde uit alle macht: “Hier Holland!” om mijn krijgsmakkers op mijn gevaar attent te maken. Een woeste kerel kwam aanstormen en schreeuwde: “Wacht, ik rijg hem aan zijn knol vast!”

Maar gelukkig kwam er op dat moment hulp opdagen. De piek van dien woesteling kon ik net opzij slaan. Tegelijkertijd kreeg ik echter zo'n slag op mijn rechter schouder, dat ik in elkaar zakte.

Toen ik weer tot bewustzijn kwam, lag ik in een kerkgebouw op stro tussen kreunende krijgsmakkers. Ik had mijn schouder ernstig gekneusd en ontwricht en kon enige weken geen dienst doen.

[p. 7] Kort nadat ik hersteld was, vertrok ons vendel naar de Nederlanden. Langs de Rijn naar Nijmegen en vandaar naar Zuid-Nederland. Ik vocht mee in de bloedige slag bij Malplaquet tegen de Fransen. Onze dapperste en beste mannen zijn daar gesneuveld. Na die veldslag bleven wij vechtend rondtrekken door Vlaanderen en langs de Franse grenzen, totdat de Vrede van Utrecht, waar jullie wel van gehoord zult hebben, een einde maakte aan die krijgsbedrijven. Wij keerden gisteren terug naar Maastricht, waar ons vendel ontbonden werd. Om tien uur vanmorgen verliet ik de stad, na een jolig afscheid van mijn kameraden. Op de boerderijen langs de weg, waar ik eten vroeg, werd me dat gaarne gegeven. De mensen waren gul op deze Kerstdag. In de herberg bij het barrier in Klimmen dronk ik een kan bier en bleef een uurtje plakken, om wat uit te rusten. Maar nu ben ik toch blij, dat ik weer veilig bij mijn familie zit.’

‘Ga je weer terug naar het leger, Hannes?’ vroeg zijn broer.

‘Neen Joep, ik heb er genoeg van. Ik zal proberen werk te vinden op een hoeve hier in de omtrek. Dat is nog altijd beter, dan soldaatje spelen.’ ‘O, dat treft goed, Hannes. Onze Nand gaat hier weg en er is dus een plaats open voor jou.’ ‘Prachtig! Maar, zeg eens, waar wil de jongen naar toe? Toch niet soldaat worden? Geen domme dingen doen, Nand! Daar krijg je, net als ik, later berouw van.’ ‘Neen, oom Hannes, ik ga naar Kloosterrade voor knecht. Vindt U dat niet reusachtig?’ ‘Die wil hoger op en nog een keer abt worden,’ lachte zijn vader met een knipoogje tegen Hannes. Op de vraag van Hannes, wat ze deden, toen hij kwam binnen vallen, antwoordde Wiel, de oudste, dat vader net wilde vertellen van Ailbertus. ‘Nou laat je niet storen. Ga je gang, Joep. Ik wil ook nog eens graag de geschiedenis horen, die broeder Martinus ons vertelde, toen we jaren geleden bij hem in het brouwhuis zaten.’