Avonturen in het land van Rode/Most vertelt over vroegere abten

Avonturen in het land van Rode




13 Most vertelt over vroegere abten

De lente trok over de Limburgse heuvels. In het zachte blauw wiekte een vlucht wilde ganzen noordwaarts. Zij tekenden zelf hun streven. Met de grote V, die de gerekte vogellichamen vormden, wilden zij de mensen beneden ook aansporen ‘Vooruit’ te maken met hun werk op de akkers. Zij zagen boeren, die de ploegstaart stevig vast hielden in hun eeltige knuisten. Onder langs het ploegijzer golfde de blond-bruine klei.

De bomen stonden in volle bloei. Op het bleekveldje in de tuinen van de Kerkraadse mijnwerkers was de oude geit aan een paaltje vastgebonden.

Rondom haar sprongen, nog onvast op hun poten, kleine mekkende geitjes, die zich koesterden in de warme zon en dolle sprongetjes maakten.

Madeliefjes bloeiden in het zacht-groene gras en in de witte pruimenboom pinkte een vink.

Op die mooie lentemorgen gingen Most en Nand weer aan hun gewone werk. Zij moesten een deel van de kerkvloer, waarvan de tegels verzakt waren, opbreken.

De zon scheen door de gekleurde kerkvensters. Zacht-rode en teer-blauwe lichtbundels tekenden warme vlekken op banken en pilaren.

Toen zij binnenstapten, kwam de koster hen al tegemoet. De man zwaaide zenuwachtig met zijn armen. Hij zei niets, maar pakte het tweetal bij de mouw en trok ze mee naar een zijbeuk, waar een van de grote koperen luchters op de grond lag.

Op de plaats waar hij neergeploft was, zagen Most en Nand een diepe deuk en gebroken tegels. Gelukkig was de zware kandelaar net naast een grafzerk neergekomen.

Most keek omhoog. Daar hing nog een eind touw. Hij vroeg aan den koster, wanneer hij het ontdekt had.

‘Vanmorgen onder het koorgebed hoorden wij plotseling een slag. Vader Abt gaf mij een teken en ik moest gaan zien, wat er aan de hand was. Toen vond ik de luchter hier op de grond liggen.’

‘Hé, Nand, wat een geluk, dat het zo vroeg gebeurde, want wij moeten vandaag hier ook nog werken.’

‘Ja, Most, we mogen onzen Engelbewaarder wel dankbaar zijn. Maar goed, dat hij niet op deze grafsteen terecht gekomen is. Kijk, Most, de rand is toch nog een beetje beschadigd.’

‘Nou, Nand, we kunnen blij zijn, dat het niet erger is, want dit is nu nog te herstellen. Kom, laten we 'ns proberen, of we de luchter naar buiten kunnen transporteren. Die moet toch eerst naar den kopersmid, omdat de armen allemaal verbogen zijn. Kijk hier, drie zijn afgeknapt.’

[p. 69]


Most en Nand tilden, geholpen door den koster, het zware sieraad op en droegen het naar de smederij.

Weer terug in de kerk begon Nand met het losmaken en opruimen van de tegelbrokken. Sommige zaten zo vast in de ondergrond gestampt, dat hij zijn houweel moest gebruiken om ze los te krijgen.

Most lag op zijn knieën en bekeek de beschadigde grafsteen. Twaalf centimeter van de rand waren vernield en naar het midden liep een barst. Dat zou hij netjes in orde maken, onzichtbaar zelfs.

‘Nand, weet je, welke abt hier begraven is?’

‘Neen, Most, vertel eens, wat je er van weet.’

‘Abt Erpo, jongen, heeft hier zijn rustplaats. Hij leefde in een interessante tijd, ofschoon het voor de bewoners van ons schone landje er alles behalve rooskleurig uitzag. Een zegen was het, dat de lui hulp en steun vonden bij dezen abt, die in zijn mildheid niemand ongetroost van onze kloosterpoort wegstuurde. Maar laat ik je zijn levensverhaal in het kort even vertellen, Nand.’

‘Vooruit maar, Most, ik luister.’

‘Expo is geboren in het heilige Maastricht. Ik zeg het ‘heilige Maastricht,’ Nand, want door de straten van die stad hebben heiligen gewandeld. Alle bisschoppen, één en twintig in getal, zijn heilig verklaard. Je weet wel, daar is ook het graf van Sint Servatius, die hier in onze streek het ware geloof bracht en de eerste bisschop van Tricht was. Op het grote plein voor de Sint Servaaskerk, die door de heilige bisschoppen Monulphus en Gondulphus gebouwd is, speelde in zijn kinderjaren abt Erpo.

Zijn ouders stuurden hem naar de kloosterschool van Kloosterrade. Hij was een uitstekend en begaafd student.

God riep hem en hij wijdde zich geheel en al aan den Heer toe door zijn intrede in ons klooster. Kort na zijn priesterwijding stierf de abt. Op de Kapittelvergadering, waar de abtskeuze plaats vond, kozen zijn medebroeders hem tot hun leidsman. Erpo wees op zijn jeugd en zijn geringe ervaring. Niets echter kon de vergaderde Koorheren van besluit doen veranderen. Trots zijn jeugd wilden zij hém als overste.

Erpo legde zich er bij neer en aanvaardde de taak. Nu zou pas goed blijken, welke grote gaven hij van God gekregen had.

Door de strenge opvatting van zijn voorgangers was het koorgebed vermoeiend en afmattend, vooral voor de oudere monniken. Erpo schrapte alle in de loop der jaren toegevoegde gebeden en herstelde de toestand, zoals hij in de H. Regel was voorgeschreven.

Met medeweten en toestemming van de Koorheren kocht hij veel landerijen en vergrootte het bezit van de abdij aanzienlijk.

[p. 70]


De grote achting, welke de monniken in die tijd genoten - Erpo regeerde van 1142 tot 1178 - blijkt wel duidelijk uit het grote aantal schenkingen aan de abdij door de edelen uit de streek.

Graaf Adolf van Saffenburg, die met de tweede kruistocht meetrok, schonk bij zijn vertrek aanzienlijke rijkdommen.

Een zekere graaf Albertus uit Scharn bij Maastricht gaf een kapel met een er bij gelegen hoeve, onder voorwaarde, dat de abt een monnik aanstelde, die met de zielzorg onder de bewoners van Scharn belast was.

Over het hertogdom Limburg regeerde in Erpo's tijd Hertog Hendrik II, een van de machtigste vazallen van Koenraad III, den Duitsen keizer.

Hertog Hendrik kwam in strijd met Gozewijn van Valkenburg. Deze oorlog werd hier op onze bodem uitgevochten. Je begrijpt wel, Nand, dat de bewoners het moesten ontgelden.

Gozewijn kon geen stand houden en werd overal teruggeslagen. De hertog trok met zijn plunderend leger door het Valkenburgse. Het vee werd weggeroofd, de huizen gingen in vlammen op en de oogst werd platgetrapt en verbrand.

Hertog Hendrik maakte aanspraak op het hertogdom Neder-Lotharingen. Maar de Duitse keizer wist op heel handige wijze Hendrik over te halen van die rechten af te zien ten gunste van Albertus van Leuven. Keizer Koenraad beloofde den hertog een ander gewest als vergoeding.

De keizer ontnam nu Gozewijn van Valkenburg de heerlijkheden Richterich en Gangelt, waar de Valkenburger natuurlijk niet van horen wilde. Hij protesteerde en verklaarde die heerlijkheden nooit te zullen afstaan. Zodra hertog Hendrik dat vernam, herinnerde hij zich de schone belofte van den keizer en meende, dat nu voor zijn leenheer de gelegenheid gekomen was om die belofte te vervullen. Hij trok met zijn leger op naar Heinsberg, waar Gozewijn van Valkenburg verbleef. Overal, waar de Limburgers doortrokken, brachten ze onheil. Plunderend bereikten zij het stadje, dat door den hertog stormenderhand veroverd werd. De soldaten staken Heinsberg in brand en de Valkenburgers moesten een goed heenkomen zoeken.

Deze oorlog bracht hongersnood onder de bevolking. Nu was Kloosterrade het toevluchtsoord. Van heinde en verre kwamen de mensen naar abt Erpo, die de rijke inkomsten der abdij onmiddellijk ter beschikking stelde en die niemand met lege handen wegzond.

Onder het bestuur van Erpo leefde in Houthem een kluizenaar, de H. Gerlachus. Elke Zaterdag kwam hij hierheen om bij den abt te biechten.

Voordat hij zich uit de wereld terugtrok, was Gerlachus een

[p. 71]


voornaam en gevierd edelman. Hij leefde gelukkig op zijn burcht en was overal een graag geziene gast. Als er ergens een tournooi gehouden werd, was Gerlachus steeds een gevreesd tegenstander. Hoe dikwijls had hij al niet als overwinnaar geknield voor de hoge gastvrouwe om van haar de krans, het zegeteken, in ontvangst te nemen.

Gerard III, graaf van Gulik, gaf een groot feest. Hij had de ridders uit de verre omtrek uitgenodigd voor het tournooi. Ook Gerlachus verscheen in zijn prachtige wapenrusting. Hij stond op het punt het strijdperk binnen te rijden, toen een koerier, bestoft en hijgend, de teugels van zijn paard greep.

Gerlachus wilde in zijn drift den man met de lans op de vingers slaan. Gelukkig herkende hij hem nog bijtijds als een van zijn knechts.

‘Wat is er, Pino?’ vroeg hij haastig.

‘Och, Heer, schrik niet. Een groot ongeluk moet ik U komen melden.’

‘Spreek, man. Wat is er?’

‘De burchtvrouwe, Heer, is overleden. Gisteravond trof haar een droevig ongeval. Zij was zo te zeggen op slag dood. Zij fluisterde nog uw naam, Heer. Dat was haar laatste woord.’

Ontdaan keek Gerlachus naar zijn dienaar. Krijtwit was zijn gezicht en tranen rolden over zijn wangen.

Hij sprong van zijn paard en verliet zonder om te zien de kampplaats. In een oogwenk had hij zijn harnas verwisseld met een rijkostuum en hij reed in gestrekte draf naar zijn burcht.

Daar vond Gerlachus alles precies, zoals de knecht gezegd had. Na de begrafenis trok hij een ruw haren kleed aan en ging blootsvoets naar Rome, waar hij bij den Paus werd toegelaten. Gerlachus verhaalde zijn grote smart en beleed zijn misstappen aan den Heiligen Vader, die hem voor penitentie een pelgrimstocht naar het Heilige Land oplegde.

In Jeruzalem verpleegde hij zeven jaren lang de zieken in een hospitaal en keerde daarna terug naar de Heilige Stad. Aan den Vader der Christenheid vroeg hij, hem een leefregel te geven, want hij wilde zich nu geheel en al aan God toewijden. Paus Adrianus beval den boeteling naar zijn vaderland terug te keren. Dit geschiedde en veertien jaren leefde Gerlachus als kluizenaar in Houthem bij Meerssen.

Dagelijks ging de heilige barrevoets naar Maastricht om te bidden bij het graf van Sint Servatius en elke Zaterdag deed hij een bidweg naar het Munster van Aken.

Het heilige leven van Gerlachus was een doorn in het oog van de Stiftheren van Meerssen, die den kluizenaar bij den bisschop van Luik beschuldigden van het kwaad, dat zij bedreven.

De bisschop, die aan die lasterpraatjes geloof hechtte, kwam

[p. 72]


in eigen persoon naar Houthem om een streng onderzoek in te stellen en Gerlachus te straffen.

Maar het onderzoek had niet het verwachte resultaat. De bisschop vond, dat Gerlachus leefde en handelde als een heilige en nam dan ook zijn maatregelen. Tot geestelijk leidsman, welke taak tot nu toe aan een der Stiftheren van Meerssen was opgedragen, werd abt Erpo aangewezen. De bisschop liet bovendien op eigen kosten voor Gerlachus, die altijd in een holle boom gewoond had, een kapel en een cel bouwen.


illustratie

Van toen af kwam Gerlachus elke week hier in onze abdij om zijn biecht te spreken bij den abt en naar diens raadgevingen te luisteren. Van hier ging de kluizenaar naar het Lieve Vrouwe Munster in Aken, waar hij zijn penitentie volbracht.’

Enige vrouwen, die geen schoeisel droegen, kwamen binnen, liepen door het middenpad en daalden de trap af naar de crypte. Daar knielden zij neer en baden lang. Nadat zij op de treden van het altaar enige muntstukken neergelegd hadden, verlieten zij weer eerbiedig het kerkgebouw.

‘Wat komen die hier doen, Most?’

‘Ik ken één van die vrouwen, Nand. Zij komen van Bleyerheide en doen een bidweg naar de Sinte Lucia, wier heilige reliquieën in het altaar van de crypte rusten. Ik hoorde gisteren, dat in het dorp een besmettelijke ziekte heerst. Om van dergelijke epidemieën verlost te worden, komen de mensen sinds onheuglijke tijden de hulp van die heilige martelares inroepen, wier feest wij op dertien December, de dag van de wijding der crypte, vieren.

In de tijd van abt Richer, die onze abdij van 1112 tot 1122 bestuurde, was de heilige Norbertus vaak de gast van ons klooster. Hij was de zoon van Herbert, Heer van Gennep. Hun stamslot stond aan de samenvloeiing van Maas en Niers.

Door een wonder bracht Onze Lieve Heer dien Norbertus tot een heilig leven. Na zijn priesterwijding leefde hij vele jaren als kluizenaar bij Xanten aan de Rijn. Norbertus, die grote plannen had, vroeg aan den Paus verlof om te gaan prediken. Hij stichtte

[p. 73]


de orde der Norbertijnen en ging met twaalf van zijn volgelingen naar het eiland Walcheren, waar hij met groot succes de reeds diep ingewortelde leer van den ketter Tanchelm bestreed. De Paus benoemde den heilige tot aartsbisschop van Maagdenburg.

Menigmaal kwam Norbertus in onze abdij om uit te rusten van zijn vermoeienissen.

Men verhaalt van hem, dat hij op zekere morgen de heilige

illustratie

mis las aan het altaar in de crypte, waar zo straks die vrouwen baden. Hij ontdekte de kelk om het heilig Bloed te nuttigen, toen er plotseling een giftige spin in de kelk viel. Norbertus zag het en wist een ogenblik niet wat hij doen moest. Peinzend keek hij naar het drijvende insect, dat voor hem de dood betekende. Opeens kwam een vastberaden trek op zijn verstorven gelaat. Hij nam de kelk, dronk het heilig Bloed des Heren en slikte zo ook de spin in.

Na de mis lag Norbertus geknield op de vloer van de crypte en wachtte geduldig, geheel overgegeven aan Gods Wil, op de dood. Maar Onze Lieve Heer kon zijn trouwen dienaar niet missen. Plotseling moest hij heftig niezen. Door een hoeststoot kwam de spin weer boven en toen was het gevaar verdwenen.’

Nand was intussen klaar gekomen met zijn werk. Hij had het gat met zand gevuld en nieuwe tegels gelegd.

Most kon ook niet verder. Het randstuk moest hij in de werkplaats afwerken en het later met een weinig specie op de steen bevestigen.

Nand pakte het gereedschap en volgde zijn baas. Bij een grote steen bleef Most staan en zich omkerend zei hij tegen Nand:

‘Hier ligt abt Johannes Wormbst begraven. In het werkhuis vertel ik je, wat ik van hem weet.’

‘Voor de Limburgers was het toch maar een uitkomst, dat de abdij zich in moeilijke tijden hun lot aantrok. Is 't niet, Most?’

‘Ja, jongen, dat is zo. Maar je moet niet vergeten, dat Kloosterrade er niet altijd zo goed voorstond als in de tijd van Erpo.

[p. 74]


De oorlogen, die in het land van Overmaze*) gewoed hebben, berokkenden het klooster onnoemelijk veel schade. Dat zul je dadelijk wel horen.’