Avonturen in het land van Rode/Naar de bossen van Ubach

Avonturen in het land van Rode




3 Naar de bossen van Ubach

Nand, die al bijna twee jaar in de Abdij werkzaam was, stond op zekere dag in de tuin en harkte de paden, terwijl hij lustig een deuntje floot. Het beviel hem uitstekend in het klooster. Vader Abt regeerde streng, maar met zachte hand. Terwijl hij daar bezig was, kwam de abt naar hem toe. Nand hield op met werken en ging recht staan. Abt Heyendael vroeg, of hij tevreden was. De knecht kon niet anders zeggen, dan dat hij het niet beter had kunnen treffen. Bij deze gelegenheid hoorde Nand ook, dat hij spoedig met de jagers uit moest. Er kwamen voortdurend berichten, dat wilddieven bezig waren in de bossen van de abdij. Op de vraag, of de jongen daar lust in had, keek Nand den abt recht in de ogen en zei: ‘Vader, als U mij daarvoor uitkiest, zal ik naar vermogen mede helpen om deze dieven te achterhalen.’ ‘Nand, durf jij bij nacht in die donkere bossen de wacht te houden, ook wanneer je bedenkt, dat daar wel eens van alle kanten gevaar dreigt?’ ‘Vader Abt, bang ben ik niet. Voor den abt van Kloosterrade doe ik alles, wat ik kan!’ Abt Heyendael glimlachte, knikte den jongeman vriendelijk toe en ging verder.

Nand keek hem na. Hij had een grote eerbied voor dien abt, die zoveel weldaden bewees aan de bewoners van zijn rechtsgebied. Menige boer, die door tegenslag zijn tienden niet kon opbrengen, werd door hem mild behandeld. Zijn eenvoudig vriendelijk optreden maakte hem bemind bij alle horigen, die van hun kant den abt grote achting en liefde toedroegen. Op een zonnige Octobermorgen, enige dagen na dit gesprek tussen den abt en Nand, kwam een man van de kant van 's Hertogenrade naar de abdij. Hij verzocht den portier onmiddellijk aan den abt mede te delen, dat in de afgelopen nacht twee reeën gestolen waren. Men had de bloedsporen gevolgd tot aan de Worm. De dieven waren met hun buit in de richting van Rimburg verdwenen. Direct liet de abt de jagers bij zich roepen in zijn werkkamer en zei: ‘Jullie vertrekken terstond naar de bossen van Ubach, waar vannacht twee reeën geroofd zijn. Tracht de dieven op te sporen en te grijpen. Neemt als hulp Nand Doveren mee. Op de hoeve van boer Werden, even benoorden het dorp, kunnen jullie eten vragen en uitrusten.’

‘Vader Abt, wat moet er gebeuren, als we de dieven vatten?’ vroeg Pitter, de oudste jager.

[p. 17]

‘Breng ze hierheen! Bewaak ze goed onderweg, dat ze niet kunnen ontsnappen.’ De jagers beloofden hun best te zullen doen en verlieten het vertrek. Nand, die met nog twee broeders bij de visvijvers bezig was een zootje vis te vangen voor het middagmaal, zag de jagers komen en snapte wel, wat er aan de hand was. Hij riep hun toe:


illustratie

‘Zeg 'ns, jullie lopen de verkeerde kant uit! Of gaat het nu andersom? Jullie proberen vissen te schieten en wij gaan naar hazen hengelen.’ Pitter gaf daar geen antwoord op, maar zei: ‘Je moet met ons mee op dievenjacht. Loop vlug naar de abdij en pak wat je denkt, dat je noodig hebt. We blijven een paar dagen weg.’ Dat was boffen. Als de wind rende de jongen naar het klooster, trok een ander buis en andere laarzen aan, pakte zijn knuppel en was spoedig weer bij het troepje. Over Eygelshoven leidde hun weg naar Ubach. Voorop liepen Pitter, de leider en verantwoordelijke man, Nelis en Sjang en achter dit drietal Frens en Nand. De jagers, die onderweg het geval druk bepraatten en een krijgsplan klaar maakten, droegen een groenkleurig pak met een riem van hertenleer om hun middel. Als wapens hadden zij een lang vlijmscherp mes in leren schede en een geweer, behalve Nand, die zijn knuppel en een mes had. Midden in de bossen was het stil, maar daar lette niemand op, want zij bespraken een veel te gewichtige kwestie. Direct na hun aankomst in Ubach wilden de jagers naar de hoeve van Werden gaan om uit de rusten, voorts tegen de schemering het avondmaal gebruiken en dan de weideplaatsen van het wild opzoeken. Tot nu toe hadden ze nog geen levende ziel ontmoet. Maar op een gegeven ogenblik kwam er plotseling een oude, in lompen gehulde vrouw, die een zak op haar rug torste, uit een holle weg te voorschijn. Met haar vinnige ogen keek zij de mannen aan. ‘Goeie middag,’ zei ze met een schel piepstemmetje.

‘Goeie middag!’

‘Waar gaat de reis naar toe, oudje?’ informeerde Pitter. ‘Och, ik moet naar 's Hertogenrade, naar mijn zoon. Hij is ziek en nu breng ik hem een lekker stukje vlees.’ ‘Vlees? Wat is dat voor vlees?’

‘Dat heb ik gekregen van Chris Stevens in Rimburg. Hij zei,

[p. 18]

dat ie zijn varken geslacht had en daarom voor 'n keer royaal wilde zijn.’ ‘Laat ons eens zien, wat je in die zak hebt, vrouw!’ ‘Och heer, doe me niks. Ik heb 't niet gestolen, maar eerlijk gekregen. Neem het me niet af!’ Met tegenzin opende de vrouw de zak. Tot hun verbazing vonden de jagers een in een gore doek gewikkelde reebout. Aan het vlees was duidelijk te zien, dat het dier nog niet lang geleden gedood was. Pitter floot tussen zijn tanden en zei tegen de vrouw: ‘Pak maar in, vrouwtje, en ga!’

Dit liet het wijf zich geen twee keer zeggen. 't Vlees verdween in de zak en ze strompelde, zo vlug ze kon, verder. De jagers stonden in een kring bij elkaar. Nu wisten zij in elk geval al iets. Het bericht, dat de dieven over de Worm waren verdwenen, was dus juist en van dien Stevens hadden ze wel meer gehoord. De nachtwacht van Eygelshoven had aan Pitter nog niet lang geleden verteld, dat de Kromme - onder die naam was Chris Stevens uit Rimburg overal bekend - een gevaarlijk heerschap was, die voor het geringste het mes trok en die bovendien over een geweldige kracht beschikte. Werken deed hij niet. Overdag was hij meestal nergens te zien. Tegen de avond zocht hij een of andere herberg op, waar hij zijn kornuiten trof. Daar werd dan het plan voor de komende nacht beraamd. Stelen was het handwerk van die ongure kerels. De mensen, die binnenkwamen, bleven zover mogelijk uit de buurt van dat gezelschap. Voor geen geld ter wereld wilde iemand wat met den Kromme te doen hebben.


illustratie

Terwijl de jagers hier druk over redeneerden, hadden zij niet gemerkt, dat de vrouw in het bos verdwenen was en naar Rimburg terugging, nadat ze, om vlugger vooruit te komen, de zak haastig onder een struik verborgen had. Ze ging Chris Stevens waarschuwen, dat de jagers van Kloosterrade op weg naar Ubach waren. Pitter vond, dat het oponthoud nu lang genoeg geduurd had en zei: ‘Vooruit mannen! We gaan verder en zullen, als het nodig mocht zijn, laten zien, dat wij weten, hoe men wilddieven moet behandelen.’ Zij stapten voort en bereikten in de late namiddag de boerderij, waar

[p. 19] zij vriendelijk en gastvrij ontvangen werden. Een stevig maal was hun zeer welkom en een kan schuimend bier bracht al spoedig een vrolijke stemming. Zij zaten in de keuken. Boer Werden en de knechts luisterden naar de nieuwtjes, die de jagers vertelden. Toen ze van den Kromme hoorden, keken zij elkaar eens aan, want iedereen kende dat gevaarlijk heerschap. ‘Wees maar voorzichtig. Die is nergens bang voor,’ merkte de boer op. ‘Voorzichtig zijn we, maar reken er op, Werden, dat als hij het waagt ons onder de ogen te komen, wij hem duidelijk zullen maken, dat de abt van Kloosterrade niet met zich laat spotten,’ antwoordde Pitter op driftige toon. - - - Het was acht uur. De jagers maakten zich gereed. Werden liet ze de deur uit en sloot achter hen de grote poort. Dicht naast elkaar liepen de mannen over de donkere weg. Boven hun hoofden flikkerden de sterren. Van tijd tot tijd verschoot er een en tekende een vuurstreep aan de duistere hemel. In de verte pinkten de zwakke lichtjes in de huizen van Ubach. De wind waaide over de stoppelvelden en schudde zachtjes aan de bomen langs de weg. Rondom de akkers stond een zwarte muur. Dat waren de bossen. Aan de zoom maakten de mannen halt. Pitter, die zacht het woord voerde, wees ieder zijn taak aan. Ze spraken af, dat, als Pitter de schreeuw van de uil zou nabootsen, de anderen naar hem toe moesten sluipen. Nelis, Frens en Sjang moesten een paar honderd meter verder oostwaarts een pad door het bos volgen om aan de Noordkant de grote open plek in de gaten te houden. Pitter en Nand volgden nog een eind de grote weg en sloegen toen een paadje in, dat het tweetal spoedig op de plaats van bestemming zou brengen. Intussen was de maan opgekomen, iets wat de mannen zeer welkom was en de bewaking vergemakkelijken zou. Zwijgend waren beide groepen in het donker verdwenen. Zij trachten zo weinig mogelijk gedruis te maken. Nand liep achter Pitter. Hij volgde voorzichtig de donkere gestalte voor hem, terwijl hij scherp op ieder geluid lette. Voor hém was het ongewoon werk zo in de nacht door dat geheimzinnig bos te lopen. Zijn ogen probeerden de duisternis tussen de stammen te doorboren. Even schrok hij, toen een nachtvogel met een schrille kreet uit de takken opvloog. Op een zijpad werd het lastiger, omdat de takken van de struiken opzij geduwd moesten worden, die dan terug zwiepten en Nand in het gezicht sloegen. Één keer trapte de jongen in een kuil en tuimelde tegen Pitter aan. Weldra zagen zij het maanlicht tussen de stammen doorschijnen. Dat was de weideplaats van het wild. Pitter bleef staan. Nand schoof naast hem.

[p. 20] ‘Nu voorzichtig, Nand. Ginds is een greppel. Daar sluipen we naar toe en dan kunnen wij gemakkelijk en ongemerkt het terrein overzien. Als Sjang en de anderen op hun plaats aangekomen zijn, liggen zij precies tegenover ons.’ ‘Pitten, wij blijven toch niet bij elkaar? Is het niet beter, wanneer we ieder een paar honderd meter van elkaar verwijderd de wacht houden? We kunnen dan in geval van nood de stropers, die in alle richtingen vluchten, beter de pas afsnijden.’ Pitter bekeek den jongen eens. Die kerel had toch een goeie kijk op de zaak. ‘Dit voorstel is zo kwaad niet, Nand. Als je moed genoeg hebt om alleen te blijven, dan vooruit.’ Nand werd kwaad bij die woorden en zei:

‘Ik hoop, Pitter, dat je me niet aanziet voor een bangerik. Ik sta mijn man wel. Die mij in de vingers valt, kan zijn ribben nummeren.’ ‘Dat er wat in je vuisten zit, weet ik wel, jongen. Maar denk er aan, dat je met volleerde vechtersbazen in aanraking kunt komen.’ ‘Dat weet ik, Pitter, maar laat ze komen, de kinkels! 't Zal hun niet meevallen!’ ‘Vooruit dan, Nand, jij naar links en ik naar rechts. Maar opletten hoor, ginds is een steile rand. Zorg, dat je niet misstapt en een twintig meter naar beneden tuimelt.’ ‘Ik zal wel uitkijken, hoor! Tot straks, Pitter!’