Avonturen in het land van Rode/Naar eupen

Avonturen in het land van Rode




19 Naar eupen

Het middaguur was reeds lang verstreken, toen de prior en Nand de volgende dag instapten om hun reis voort te zetten.

Na een hartelijk afscheid van allen in het refugiehuis, reed de koets naar de Marschierpoort, waardoor de reizigers de stad verlieten en de weg naar Eupen insloegen.

Het was een prachtige tocht op die late zomermiddag. De weg liep midden door het Akenerbos.


illustratie

Nand, die door het portierraampje keek, zag een kippenkoopman voorbij stappen. Deze droeg een hoge mand, die door tussenschotten in vijf boven elkaar gelegen hokken verdeeld was, zodat de verschillende soorten pluimvee, ieder hun aparte afdeling hadden.

Over Hergenrath en Astenet bereikten zij Walhora. Prior Fabritius, die tot nu toe gebrevierd had, sloot zijn boek en vestigde de aandacht van Nand op het plaatsje, waar ze op dat ogenblik doorreden.

‘Dit is nu de geboorteplaats van Vader Abt. Dadelijk rijden wij aan het huis voorbij, waar zijn ouders gewoond hebben.’

Met belangstelling keek Nand naar de huizen, want hij vond het interessant het plaatsje te leren kennen, waar de geliefde abt zijn jeugd had doorgebracht.

‘Is hij als jongen in de abdij gekomen, Prior?’

‘Neen, Nand, dat niet. Ik zal je een en ander van hem vertellen. Luister.

Zijn ouders, die van Oud-Valkenburg komen, woonden al enige jaren hier in Waldhoorn, toen in het jaar 1658 onze abt geboren werd. Zijn vader en moeder, die hem een diepgodsdienstige opvoeding gaven, zorgden er voor, dat hun begaafde zoon ook degelijk onderwijs ontving en zonden hem daarom naar het gymnasium van de Jezuïeten in Aken. Na zijn eindexamen trok de jonge Heyendael naar Rome, het middelpunt van de wetenschap, om zich daar in de hogere wetenschappen te bekwamen.

Bij een uitstapje had hij het ongeluk in handen van soldaten der Venetiaanse Republiek te vallen, die hem als gevangene

[p. 112]


wegvoerden en tegen wil en dank bij hun leger inlijfden. Hij moest naar het eiland Korfu en bleef daar vier jaar onder de wapenen. Zijn lust om te studeren verloor hij echter niet, niettegenstaande het moeielijke en harde soldatenleven. Hij studeerde ijverig Grieks, de taal van de bewoners van Korfu, welke hij nu even gemakkelijk spreekt als zijn moedertaal.

Op een goeie dag kreeg hij de kans om te ontvluchten. Heyendael landde ergens aan de Adriatische kust en vond een betrekking als leraar in de stad Milaan, waar hij met groot succes onderwijs gaf.

Hier in Walhorn hoorde men niets meer van den student. Zijn moeder wachtte met groot ongeduld op bericht. Doch tevergeefs.

Het gerucht van zijn dood deed de ronde. Moeder kon het niet geloven en bleef maar met volharding bidden voor zijn thuiskomst.

De jaren gingen voorbij, maar van Nicolaas Heyendael hoorde men taal noch teken. Nu móest men toch wel aannemen, dat hij niet meer tot de levenden behoorde en daarom bestelde de familie dan ook een requiemmis voor zijn zielerust.

Intussen was de doodgewaande onder weg naar zijn geboorteplaats. Elke dagreis bracht hem naderbij en hij verheugde zich, dat hij weer spoedig zijn ouderhuis kon binnentreden.

Onze abt bereikte het dorpje in de vroege morgen en ging het eerst naar de parochiekerk om Onzen Lieven Heer te bedanken voor zijn behouden thuiskomst.

Heyendael knielde neer achter in de kerk, waar juist een plechtige rouwdienst werd gehouden.

Je kunt begrijpen, Nand, welk een verbazing hem overviel, toen na het evangelie de pastoor aan de voet van het altaar voor de zielerust van Nicolaas Heyendael bad.

Na de mis verliet hij met de eersten het kerkgebouw en bleef wachten tot zijn bloedverwanten buiten kwamen.

Op het eerste moment schrokken deze, maar al spoedig waren ze overtuigd, dat Nicolaas in levenden lijve voor hen stond. Het gaf een hele opschudding in het anders zo stille Walhorn en onze abt moest uitvoerig vertellen, hoe alles in zijn werk gegaan was.

Enige tijd bleef hij bij zijn verwanten en vertrok toen naar Leuven, om het kerkelijk en burgerlijk recht te gaan studeren. Naast de studie in die wetenschappen legde hij zich toe op de godgeleerdheid. Nadat Heyendael zijn examens had afgelegd, klopte hij aan in Kloosterrade en verzocht den abt opgenomen te worden in de rijen der Koorheren.

Na zijn proeftijd, die hij met gebed en studie had doorgebracht, werd Heyendael in het jaar 1694 tot priester gewijd. De abt zond hem naar Eupen, om daar als pastoor te werken aan

[p. 113]


het heil der zielen*). Geen gemakkelijke taak werd hem op de schouders gelegd, want van den beginne af aan had hij met een vijandig gezinde bevolking te kampen. Ook het stadsbestuur toonde hem weinig genegenheid. Men schaamde zich zelfs niet, hem te belasteren. Heyendael echter kende zijn plicht en trad vrijmoedig tegen zijn vijanden op. Hij spaarde niemand; het ging immers voor het heil van de aan hem toevertrouwde gelovigen.


illustratie Abt Nicolaas Heyendael


Drie jaar heeft hij in Eupen gewerkt en hij is door zijn ijver en heilige levenswanwandel een voorbeeld voor allen geweest. Aan het gestook kwam geen einde, zodat de bisschop het raadzaam vond, hem te vervangen door een anderen pastoor.

Nederig onderwierp Heyendael zich aan het besluit van zijn overste en keerde terug naar het rustige Kloosterrade, alwaar de abt den afgetreden pastoor voor zijn plichtsbetrachting beloonde, door hem tot professor in de godgeleerdheid en bijbelkunde aan de kloosterschool te benoemen.

VDit ambt vervulde Heyendael tot aan de dood van abt Johannes Bock, waarna het kapittel hem als opvolger koos.

De bisschop van Luik kwam naar ons klooster om Heyendael tot abt te wijden en hem de mijter op te zetten.’

‘Hebben alle abten de mijter gedragen, Prior?’

‘Neen, Nand. Onze grote abt Winand Lamberti, de man der Voorzienigheid, was de eerste, dien dat voorrecht ten deel viel. Aan hem hebbben wij het te danken, dat onze heerlijke abdij, die een zegen is voor geheel Overmaas, nog bestaat.’

  • )Veel parochies in de verre omtrek werden bediend door monniken van Kloosterrade.

[p. 114]


‘Prior, als ik zo onbescheiden mag zijn, vertelt U mij zijn geschiedenis.’

‘Best, jongen, maar vandaag niet meer. Morgen, als ik klaar ben met mijn brevier, zal ik aan je verlangen voldoen.’

Nand bedankte den vriendelijken prior.

Op dat moment stond de wagen stil. Door het raampje zagen zij een geestelijke, dien Fabritius onmiddellijk herkende, als den onderpastoor van Eupen, ook een koorheer van Kloosterrade.

Nand stapte uit en klom naast Pierre, den koetsier, op de bok en de onderpastoor nam plaats in de koets naast den prior. Pierre zette de paarden aan, die stapvoets de wagen de lange helling optrokken.

Voor Nand was het leuk zo hoog te zitten. Met belangstelling keek hij naar het volk, dat voorbijging.

Een oude vrouw, die in een greppel langs de weg zat, loerde met haar vurige kraaloogjes naar de voorbijgangers en maakte allerlei gekke gebaren.

‘Die is zeker niet goed bij verstand,’ dacht Nand.

Toen ze een eind verder waren, keek de koetsier nog een paar keer haastig om.

‘Zeg, jongen, zag je dat wijf?’ vroeg hij fluisterend.

‘Ja, goed hoor! Die is aan het verkindsen, denk je ook niet?’

‘Neen hoor. Dat was een heks. Zag je ook, hoe ze ons wilde beheksen, terwijl ze allerlei toverspreuken mummelde met haar tandeloze mond?’

Nand moest zo vreselijk lachen, dat hij zich verslikte en een geweldige hoestbui kreeg.

Dat die Pierre een rare klant was, wist ie al lang, maar zo had hij hem zich toch nooit voorgesteld.

Met angst keek de koetsier naar den proestenden jongen.

‘Heeft die het al te pakken?’ vroeg hij zich bezorgd af.

‘Stel je voor. Ze waren ook zo onvoorzichtig, die jongens!’

Eindelijk bedaarde Nand wat. Tranen van het lachen rolden over zijn rood gezicht.

‘Laat ik je toch eens goed bekijken, Pierre. Heb jij ze nog allemaal? Of ben je al behekst? Zo iets doms heb ik nog nooit gehoord. Zorg maar dat de prior het niet merkt. Dan stuurt hij je weg, manneke, wat ik je vertel.’

‘Spot jij maar. Je komt pas in de wereld kijken, maar leer van mij, dat er soms vreemde, onverklaarbare dingen gebeuren.’

‘Kom, Pierre, maak je grootje wat wijs. Een mens met gezond verstand gelooft er immers niets van. Maar vertel op, wat je zoal meegemaakt hebt. Ik ben nieuwsgierig!’

‘Praat niet zo dom, Nand. Ik waarschuw je. Zo'n vrouw kwam op een zomermiddag bij ons op het erf en bracht een prachtig takje hazelnoten mee, dat ze aan mijn klein zusje gaf.

[p. 115]


Moeder, die het gelukkig bijtijds zag, griste ons Fieke het takje uit de handen en smeet het in de haard. Dat had je moeten horen! De noten sprongen met zo'n geweldige knallen uit elkaar, dat de vonken door de keuken vlogen. Als mijn zusje er van gegeten had, dan was ze vast en zeker behekst geweest en had zij een vreselijke dood moeten sterven.

Met mijn vader ging ik een keer naar Heerlerheide om een koe weg te brengen. We bleven langer, dan we eigenlijk van plan geweest waren en omdat het avond was, koos vader, die de binnenwegen kende, de kortste weg. We moesten door een weiland. Juist toen we door het draaihek wilden, bleef vader geschrokken staan. Nog net op tijd, hoor!

In die wei was heksenvergadering. Een hele bende oude wijven was er bij elkaar en hield heksensabbath. Ik kan je vertellen jongen, wild ging het daar toe. Als bezetenen draaiden ze rond om een zwart wezen met vleermuisvlerken en bokspoten, dat in hun midden stond. Ik huiver nog, als ik er aan denk.’

‘Pierre, een driedubbele idioot ben je! Waar haal je die onzin allemaal vandaan?’ onderbrak Nand hem.

‘Zwijg!’ gebood de verteller streng.

Hij trok aan de leidsels om de paarden aan te zetten tot een draf en vervolgde zijn verhaal.

‘Bij ons in huis spookte het geregeld. Als we 's nachts rustig sliepen, verschenen altijd geesten, die met de pannen en ketels op de pottenbank rammelden. In de koestal sloegen de kettingen tegen de kribben en het was een spektakel midden in de nacht, om er bang van te worden.

Vader stond geregeld op om te gaan kijken. Verschillende keren zag hij, als ie in de koestal keek, dat er lichtflitsen langs hem heenschoten.’

‘En heeft je vader nooit een spook bij de kraag gegrepen? Ik geloof, als ik er geweest was, dat ik er vast en zeker een gegrepen had.’

‘Als vader kwam, was alles stil. De ketels stonden op hun plaats en de runderen lagen rustig op het stro. Hij maakte het de spoken niet lastig en zij lieten hem ook met rust. - - -

Maar nog wat anders.

Op een morgen, dat onze Fie uit de kerk kwam, ontmoette zij midden op een eenzame weg een vrouw, die haar aankeek. Direct voelde Fie, dat die onbekende haar vroeg gestorven peettante moest zijn. De vrouw zei niets en verdween weer.

Fie, die het dadelijk thuis vertelde, kreeg van vader de raad om, als zij de vrouw weer zag, te vragen, wat ze wilde.

Dat gebeurde een paar dagen later. Wat was het geval? Ze had geen rust, omdat zij een beloofde bidweg niet had kunnen volbrengen.

[p. 116]


Wij hebben die bidweg voor haar gedaan en toen was alles in orde.’

‘Nou schei uit, Pierre! Ga naar een goeie horlogemaker en laat het raderwerk in je kop eens secuur nakijken. Ik geloof, dat het vol stof en spinnewebben zit. Schaam je, dat jij als christenmens zo'n onzin uitkraamt..... Kijk! Zie je, hoe dat paard daarginder over de weg vliegt. Nou, die legt de zweep er stevig op. Het is geen manier van doen een dier zo af te jakkeren!’

Een heel eind voor hen uit zagen zij een wagen aankomen. Een wolk grijs stof vloog omhoog, zo rende het paard van het snelnaderende voertuig. Op de bok zat niemand en de teugels sleepten over de grond.

Nand begreep, dat het dier op hol geslagen was en er geholpen moest worden.

Pierre bracht met een ruk de paarden tot staan, terwijl Nand naar beneden sprong en vlug aan de kant van de weg ging staan. Nog een paar seconden en de slingerende wagen had hem bereikt.

Nand, koelbloedig het juiste ogenblik afwachtend, sprong op, greep de halster, trok zijn knieën omhoog en hing zo aan de kop van het wilde paard. Nauwelijks vijftig meter verder had hij het reeds in zijn macht en stond het hijgend beest met gebogen kop aan de wegberm.

De beide Koorheren, die inmiddels uitgestapt waren, kwamen haastig toelopen. Op hun vraag, of Nand enig letsel gekregen had, antwoordde deze, dat het niet noemenswaard was. Hij had alleen maar een paar flinke stompen tegen zijn benen gehad.

Van een voerman was nergens iets te zien, zodat nu twee gevallen mogelijk waren. Of de voerman was er niet bij geweest, toen het paard op hol sloeg, of hij was door de schok van de wagen getuimeld.

Na enig overleg werd besloten verder te rijden. Nand moest het vreemde voertuig voor zijn rekening nemen.

Een flink eind verder vonden zij een bewustelozen man op de weg liggen, dien de onderpastoor als een inwoner van Eupen herkende.

Nadat ze hem voorzichtig op de bodem van zijn kar gelegd hadden, waar Nand het den verongelukte zo gemakkelijk mogelijk maakte, onderzocht de prior, of hij ernstige kwetsuren had. Dit was gelukkig niet het geval. De prior, die door Pierre een fles wijn uit de reiskoffer had laten halen, liet den man, die intussen weer wat bijgekomen was, een slok drinken. Er kwam weer kleur op zijn wangen en kort daarna opende hij zijn ogen. Hij zag den onderpastoor en hij was blij, dat ie iemand bij zich had, dien hij kende.

Op de vraag, hoe het ongeluk gebeurd was, vertelde de

[p. 117]


voerman, dat een houtduif plotseling dood voor het paard neergevallen was, waardoor het dier schrok en als een pijl er vandoor ging. Hij zelf had geen kans gezien, zich vast te grijpen en was van de wagen gestort.

‘Blijf maar rustig liggen, man,’ zei de prior. ‘Wij brengen je wel thuis. Nu mogen we niet veel tijd meer verliezen, anders is de stadspoort in Eupen gesloten.’

In het stadje gekomen, wees de onderpastoor aan Nand, hoe hij rijden moest, om het huis van den vrachtrijder te bereiken. Daarna moest Nand naar de pastorie komen, waar de reizigers die nacht zouden logeren.

Nand, die al gauw het huis gevonden had, stelde de geschrokken vrouw gerust.

‘Uw man is niet ernstig gewond. Het paard sloeg op hol en toen is hij van de wagen gevallen. Als hij eens goed geslapen heeft, zal morgen weer alles in orde zijn.

De jongen hielp den man van de wagen en bracht hem binnen, gevolgd door de ontstelde vrouw.

Gauw even het paard op stal brengen en dan naar de pastorie. Nand wilde ongemerkt verdwijnen, maar de vrouw riep hem terug. Al beweerde Nand, dat hij geen tijd had, het hielp niet. Hij moest mee naar de keuken, waar de mensen hun dankbaarheid toonden door hem te onthalen op een kan bier.

De vrachtrijder vroeg, wie zijn hollend paard tot staan gebracht had.

‘Och, mijn goeie man, wij hielden het aanstormende paard tegen en een eindje verder vonden we jou bewusteloos op de weg. Toen begrepen wij direct, wat er aan de hand was. Onze prior heeft dadelijk gekeken, of je geen ernstige verwondingen had, wat gelukkig niet het geval was. Ga nu maar gauw naar bed hoor, dan ben je morgen weer de oude. Het beste met je.’

‘Wacht even, nog een vraag, jongeman! Waar komen jullie vandaan en hoe heet je?

‘Wij komen van Kloosterrade en ik heet Nand Doveren.’

‘Nand, ik hoop, dat ik ooit de gelegenheid zal hebben je van dienst te zijn. Alle achting voor de monniken van Kloosterrade. Is pastoor Heyendael niet jullie tegenwoordige abt?’

‘Ja, zijn bestuur brengt welvaart in de hele streek.’

‘Ik herinner me hem nog heel goed. Wat heeft hij het hier moeilijk gehad. Maar laat ze nog eens wat zeggen van de Kloosterraders! Ik zal hen verdedigen, waar ik kan!’

‘Doe dat, beste vriend. Toon zo je dankbaarheid voor de hulp, die de prior je bood.’

Vlug nam Nand afscheid en spoedde zich naar de pastorie, waar een sober, maar smakelijk avondeten hem wachtte.