Avonturen in het land van Rode/Nand beleeft zijn eerste avontuur

Avonturen in het land van Rode




[4] Nand beleeft zijn eerste avontuur

Op handen en voeten kroop ieder naar de aangegeven plek. Nand, op zijn buik tegen de schuine greppelwand liggend, loerde over het open terrein. Achter hem gaapte de zwarte diepte, waarvoor Pitter hem gewaarschuwd had. Boven in de kruinen ruiste de wind. Op de grasvlakte in het zilveren licht van de maan was geen levend wezen te zien. Jawel toch!... Ginder tussen de struiken bewoog een gewei. Kop en voorpoten stonden in het volle licht. De neus in de lucht draaide de hertenkop naar alle kanten. Even wachtte het dier... en kwam toen te voorschijn, gevolgd door nóg drie herten, die direct begonnen te grazen. Spoedig verschenen aan de tegenovergestelde kant twee reeën. Een tak kraakte... geschrokken keken de dieren op, loerden rond en gingen weer door met grazen.

Een uurtje ging voorbij. Heel in de verte sloeg het twaalf uur op de kerktoren van Ubach. Nand meende achter zich iets gehoord te hebben. Scherp luisterde hij.... Ja daar hoorde hij het weer. Net alsof daar onder in de diepte iemand door de struiken schoof. Voorzichtig rolde hij zich om en keek over de rand naar beneden.... Niets te zien, maar wel hoorde hij zacht gefluister. Gespannen luisterend, wachtte hij, op wat komen zou. Wildstropers waren, aangezien de wand ongeveer loodrecht was, van die kant niet te verwachten. - - - Een dievenlantaarn, die men uit voorzorg omhuld had met een zwarte doek, kwam te voorschijn. Nu zag Nand drie mannen, die hun gezichten met roet onherkenbaar gemaakt hadden. Aan hun kleding was wel te zien, dat het een minder soort volk was. Zij gingen rond de lantaarn zitten. Een van de drie, een lange, zware kerel, scheen de leiding te hebben. Hij voerde het woord. ‘Luisteren jullie eens, Lennert en Frans. Trien Moren bracht mij vanmiddag bericht, dat de pastoor van ons dorp een grote gouden monstrans gekregen heeft van den hertog, als vergoeding voor de geleden schade bij de doortocht van zijn huurtroepen!’

‘Als die schele heks ons maar geen verkeerd bericht brengt. Net als laatst, toen ze kwam vertellen, dat de boer van hoeve “de Men” de volgende dag naar Kloosterrade moest om een belangrijke som te betalen en wij in zijn huis slechts twee goudgulden vonden.’ ‘Hetzelfde bericht, Lennert, ontving ik ook van “Chriske met de ene hand”. Het moet dus waar zijn. Wij zullen proberen vannacht die monstrans in ons bezit te krijgen. Een plan heb ik al klaar gemaakt. Tieske, mijn zoon, is voor deze gelegenheid vroeg naar bed gestuurd. Straks zullen wij hem wekken. Dan gaat hij den pastoor roepen om de zieke vrouw Krings te bedienen. We laten hem zeggen, dat ze stervende is en mocht de pastoor vra-

[p. 22]

gen, wie hij is, dan moet hij de naam van den buurjongen van Krings noemen. Als de pastoor weg is, hebben wij gemakkelijk spel!’


illustratie

Lennert vond het plan niet kwaad. De andere mompelde maar wat. Met zijn handen trachtte hij duidelijk te maken, dat hij er ook mee accoord ging, waaruit Nand, die met stijgende belangstelling in zijn pikdonkere schuilhoek lag te luisteren, opmaakte, dat die bandiet niet spreken kon. De aanvoerder haalde uit zijn opgerolde mantel een kruik, die hij met zichtbaar welbehagen in het licht van de lantaarn bekeek. Hij smakte met zijn tong en zei: ‘Kijk 'ns, jongens, nog een fijn slokje uit de kelder van den schout van Erkelenz!’ In een ommezien was de kurk er af. De ‘lange’ nam een fikse teug, toen was de beurt aan Lennert, vervolgens aan Frans, dan weer aan den ‘lange’, net zolang tot de kruik leeg was. ‘Ziezo, dat geeft moed,’ sprak de aanvoerder. ‘Hoorden jullie het, daar sloeg het net één uur in Ubach. Wij vertrekken, jongens! Tegen half drie zullen we den pastoor van den gouden schat verlossen. Dan heeft hij ook een zorg minder.’

Lachend stonden de vagebonden op, hulden de lantaarn weer in de doek en slopen weg. Nand wachtte nog een tijdje en kroop toen op handen en voeten naar Pitter. Die keek op. Wat was er aan de hand? Nand vertelde fluisterend, wat hij gezien en gehoord had. ‘Maar Nand, je hebt gedroomd!’

‘Neen, Pitter, wat ik je vertel, is waar en we moeten proberen dat plan te verijdelen.’ ‘Wacht jongen, ik roep de anderen. Dan overleggen we samen.’

De roep van de steenuil klonk door het stille bos. Terwijl het tweetal kalm op de anderen wachtte, viel het op, dat de wind veranderde en zware wolken voor de maan schoven. Een zacht gekraak duidde aan, dat er iemand naderde. Opeens rees een gestalte naast Nand omhoog. Even schrok de jongen, maar aan de fluisterstem herkende hij Sjang. Onmiddellijk volgden ook Nelis en Frens. Pitter vertelde, wat er aan de hand was. Natuurlijk waren allen het er over eens, dat zij die bandieten moesten vatten. Be-

[p. 23]

sloten werd, dat Nelis en Frens zouden achterblijven voor de bewaking. Pitter gaf hun de opdracht bij onraad direct van hun geweren gebruik te maken. Pitter, Sjang en Nand liepen naar het dorp terug. Het was nu pikdonker en er viel een kille regen. ‘Echt een nacht voor dieven,’ vond Sjang. Tegen twee uur kwamen zij bij de kerk, waar alles in diepe rust was. Het drietal stapte het donkere kerkportaal binnen, want vandaar uit konden ze alles zien, wat er bij de pastorie gebeuren zou, zonder zelf gezien te worden.

Ruim een half uur verliep, zonder dat zich een levende ziel op de weg vertoonde.... Daar kwam iemand aan. Vlug klepperdden klompen over de bultige keien. De wachtenden zagen een jongen naar het huis van den pastoor gaan en hoorden hem even later kloppen. Enige minuten heerste doodse stilte.... Weer trommelde de jongen op de deur. Op dat moment ging er op de bovenverdieping een raam open en vroeg iemand: ‘Wie is daar? Wat wil je?’

‘Mijnheer Pastoor, vrouw Krings is stervende. Tina verzoekt U dadelijk te willen komen.’ ‘Wie ben jij dan?’ vroeg de pastoor. ‘Ik ben Pierre van Broens,’ loog Tieske van ‘Langen Peter’. ‘Loop maar gauw terug; ik kom dadelijk.’

Het raam werd gesloten en even later kwam er licht in de gang. De pastoor verliet zijn huis. Door een zijdeur ging hij de kerk binnen, haalde de H. Olie en spoedde zich naar de zieke, onbewust van de strik, die men hem spande. De priester was nauwelijks goed en wel weg, toen uit een tegenoverliggend zijstraatje drie gedaanten kwamen, die naar de woning slopen. De dieven, bedreven als zij waren in hun vak, kregen met een beetje inspanning gemakkelijk de ongegrendelde deur open en verdwenen achter elkaar in de gang. Nu kwamen de Kloosterraders te voorschijn en liepen behoedzaam naar de deur van de pastorie. Zij drukten zich tegen de muur aan weerszijden van de ingang om de dieven, zodra ze naar buiten kwamen, te overrompelen. Zo heel lang hoefden ze niet te wachten. De deur werd zachtjes geopend en een man wilde vlug in gebogen houding naar het kerkportaal lopen. Pitter echter sprong als de bliksem naar voren. Met één slag van zijn geweldige vuist velde hij den kerel neer. Snel trok Pitter hem tegen de muur. Net op tijd, want daar kwamen de beide anderen ook al. De drie jagers sprongen op het tweetal toe. Spoedig rolden de mannen over de grond en er vielen harde klappen. Vooral die ‘lange’ beschikte over een grote kracht. Door het geschreeuw ontwaakten de mensen in de buurt, die ijlings te hulp schoten, zodat de bandieten al gauw weerloos op de stoep voor de pas-

[p. 24]

torie lagen. Nand raapte een zak op, waarin de kostbare monstrans zat, die jammer genoeg gebroken was. Een man, die naar het huis van Krings snelde, ontmoette den pastoor reeds halverwege, want toen de geestelijke bij vrouw Krings gekomen was, had hij daar tot zijn verbazing van de geschrokken vrouwen vernomen, dat men hem niet geroepen had. Bij zijn huis gekomen, hoorde de pastoor van de Kloosterrader jagers, hoe alles in zijn werk gegaan was. Ontroerd dankte de pastoor de mannen voor hun moedig en doortastend optreden. De dieven werden naar binnen gesleept en daar stevig gebonden op de vloer gelegd onder bewaking van de jagers. Bij het licht van de olielamp zag men pas goed, hoe hevig er gevochten was. Pitter bloedde aan de rechter arm, waar de ‘lange’ hem in gebeten had. Sjang en Nand hadden beiden een dik oog en bovendien was Sjang z'n rechter oor ingescheurd. Hun kleren hadden ook heel wat geleden. Door de val had Pitter een groot gat in zijn knie gekregen. De pastoor haalde water en linnen om de wonden van de jagers te verbinden. Daarna tracteerde hij ze op een flink glas wijn.

Een van de nieuwsgierigen, die buiten het geval druk bepraatten, kreeg van den pastoor de opdracht in galop naar 's Hertogenrade te rijden om den drossaard te waarschuwen. Tegen de morgen kwam de schout met zijn dienaars, om de gevangenen naar 's Hertogenrade te brengen, waar ze streng gestraft zouden worden voor hun misdrijf. Na een stevig ontbijt gingen Pitter, Sjang en Nand naar de boerderij van Werden. Nelis en Frens, die even tevoren uit de bossen thuis gekomen waren, luisterden met spanning naar het avontuur van hun makkers. Later dan andere dagen klommen ze die morgen de trap op naar de zolder, waar zij spoedig op de harde strozakken lagen te snorken.