Avonturen in het land van Rode/Nand luistert een gesprek af

Avonturen in het land van Rode




14 Nand luistert een gesprek af

In de werkplaats, die een groot venster aan de tuinkant had, gaf Most den jongen enige aanwijzingen. Terwijl zij ijverig werkten, vertelde de steenhouwer van den zevenentwintigsten abt, die van 1558 tot 1600 regeerde.

‘Johannes Wormbst voerde de kromstaf in een uiterst moeilijke tijd. Het protestantse geloof drong van alle kanten de Zuidelijke Nederlanden binnen en zeer veel landgenoten lieten de kerk hunner voorvaderen in de steek. Als pastoor van Baelen had Wormbst al heel wat te stellen gehad met die nieuwlichters, die in zijn parochie verschenen.

Op vier Februari 1558 werd hij tot abt gekozen. Nooit is de abdij er erger aan toe geweest als in zijn dagen. Verschillende bronnen van inkomsten gingen verloren. De oorzaak hiervan lag op de eerste plaats in de rampzalige tijd, die men toen beleefde, want allerwegen woedde de oorlog en vreemd soldatengespuis zwierf hier rond.

Alva verscheen in deze landen en zijn uiterst streng optreden deed de mensen sidderen en beven. Velen verlieten hun woonplaatsen om te ontkomen aan de zware straffen, die de ijzeren hertog tegen de ketters had uitgevaardigd.

In het najaar van 1568 trok Willem van Oranje met zijn huurtroepen door Kerkrade. Die benden maakten het even erg als de Spanjaarden. Voor de tweede keer werden de mensen uitgeschud. De Prins legde de abdij een schatting van tienduizend daalders op, welk bedrag abt Johannes onmogelijk betalen kon. Bovendien kwam van Alva het verbod om ook maar een schilling aan zijn vijand te geven. In allerijl werden nu de schatten in veiligheid gebracht, want, zodra de termijn verstreken was, verwachtte de abt een inval. Zo was het ook. De soldaten drongen het klooster binnen en roofden alles, wat van hun gading was. In onze prachtige kerk stapelden ze stro op en spoedig laaiden de vlammen omhoog.

In 1574 werd het klooster weer gebrandschat door den Palzgraaf, die de som van twintigduizend gulden verlangde. De abt had dat geld niet, een nieuwe plundering volgde en voor de tweede keer kraaide de rode haan op onze daken.

In 1580 gebeurde dit voor de derde maal. Toen moest vooral de kerk het ontgelden. Ze werd vol stro gesleept en door de brand grotendeels verwoest.

De monniken hadden een goed heenkomen gezocht en waren verstrooid naar alle windstreken. Alleen de abt was gebleven en ook nog een oude monnik, met wien hij in de geschonden en zwartgeblakerde kerk de getijden bad.

De Jezuïeten van Aken, die de abdij graag in bezit wilden

[p. 76]


hebben, wendden zich tot den Paus en deelden hem mede, dat er in de buurt van de oude Keizerstad een abdij lag, geheel verlaten en zonder bewoners. Zij verzochten den Heiligen Vader hun dat gebouw te willen toewijzen.

De Paus benoemde echter eerst een commissie, die onderzoeken moest, of de abdij werkelijk onbewoond was en aan niemand toebehoorde.

Abt Wormbst was intussen gewaarschuwd. Nooit zou hij het erfgoed van Ailbertus prijsgeven en hij verzon een list om die commissie met een kluitje in 't riet te sturen.

Een bode werd uitgezonden om alle pastoors uit de omtrek

illustratie Grafsteen van Abt Wormbst


naar Kloosterrade te ontbieden.

Op de dag, dat de commissie kwam, stapten 's morgens de pastoors der omliggende parochies de door bijlslagen vernielde kloosterpoort binnen.

Op verzoek van den abt, die hen vlug inlichtte, trokken zij de gewaden van de gevluchte Koorheren aan en namen plaats in de koorbanken. Psalmen klonken door de berookte gewelven, toen de commissie het kerkgebouw binnentrad. De heren stelden vast, dat het klooster wel degelijk bewoond was en er, zoals de regel het voorschreef, de heilige diensten gehouden werden. De Jezuïeten konden er dus geen aanspraak op maken. Zo redde abt Wormbst onze abdij.’

Een broeder trad binnen en verzocht Most bij den abt te komen. Deze stond da-

[p. 77]


delijk op en ging mee, terwijl Nand kalm verder werkte.

Buiten zat een merel in de bloeiende meidoornhaag en floot. Nand staakte een ogenblikje zijn werk om te luisteren. Hij moest toch eens opletten, waar die haar nest gebouwd had. Het zou leuk zijn, als hij geregeld kon controleren, hoe alles verliep, totdat de jongen uitvlogen. Wacht, hij moest een emmer steenafval in de tuin brengen, dan had hij meteen wel gelegenheid om eens even tussen de doorntakken te spieden naar het nest.

Hij liep langs de heg. Maar stil.... Daar hoorde hij praten. Een bekende stem. Baltus! Wat deed die hier? Hij moest toch aan het werk zijn in de stallen. Wie waren daar bij hem? Nand had al gauw in de gaten, dat het twee mannen waren. Zacht zette hij de emmer neer en kroop dichterbij. Hoe langer hij luisterde, hoe verbaasder hij werd.

‘Baltus, en nu geen uitvluchten meer. Vanavond zorg je, dat we binnen kunnen. Ik wil nu eens een paar van die malse kippen hebben. De kalkoenen hebben we ook al uitgezocht. Die zijn voor de Akense markt.’

‘Ja, manneke, denk maar eens aan de daalder!’ bromde de andere man.

‘Het gaat toch niet goed, vader. Stel je voor, dat het misloopt. Wacht nog wat, dan kan ik alles nog eens goed overleggen.’

‘Neen Baltus, daar komt niks van in. Vanavond komen we en jij zorgt, dat onze reis niet vergeefs is. Denk maar aan die andere stommiteit. Laat ons niet voor niemendal komen. Je weet, wat je te wachten staat.’

‘Als het dan moet, vooruit maar. De daalder wil ik wel op voorhand hebben.’

‘Niks daarvan. Als we binnen zijn, krijg je hem en eerder niet.’

‘Hoe laat komen jullie dan?’

‘Om half twaalf zijn we achter bij de kleine tuinpoort en jij zorgt, dat ze vóór middernacht open is. Om half twee staan de monniken op, is 't niet? In die tijd zijn wij lang klaar en verdwenen. Jij ligt dan weer veilig in bed. Gevaar is er dus voor niemand.’

‘Dat menen jullie maar. Dan moest ik er niet zijn,’ bromde Nand bij zichzelf.

‘Nou goed dan,’ zei Baltus, ‘tot vanavond. Dag vader! Dag Peter!’

‘Dag jongen!’

Nand hoorde, hoe de mannen zich in de richting van 's Hertogenrade verwijderden, terwijl Baltus op een drafje naar de gebouwen terugliep.

Haastig stond Nand op, bracht het puin achter in de tuin en keerde gejaagd terug naar de werkplaats. Op een blok zittend,

[p. 78]


piekerde hij er over, hoe hij de kwestie het best kon aanpakken. In elk geval, hij zou die diefstal voorkomen. Nou die vader van Baltus was toch een slechte kerel. Jammer, dat hij hem niet had kunnen zien. Naar den abt gaan, wilde hij ook niet, om Baltus te sparen, die, zoals hij duidelijk gehoord had, door zijn vader met geweld gedwongen werd mee te doen.

Ha, daar had hij wat gevonden. Hij zou wakker blijven en dat goed aan zijn kamergenoot laten merken....

Tegen tien uur zei Baltus tegen Nand:

‘Kom jongen, we gaan slapen. Je zult toch ook wel moe zijn, is 't niet?’

‘Nou Baltus, als ik je de waarheid moet zeggen, ik heb helemaal geen slaap en zou het liefst nog een eindje gaan wandelen. Het is toch zo'n heerlijke avond.’

Baltus sloeg de schrik om het hart en zei met verwonderde stem:

‘Dat begrijp ik niet. 't Is nog nooit gebeurd, dat jij niet slapen kon. Gewoonlijk lig je nauwelijks vijf minuten in bed en je slaapt als een os.’

‘Tja, dat is vanavond nu eens niet het geval. Wat doe je er aan?’

‘Akelige vent,’ dacht Baltus.

‘Vooruit, laten we het proberen, Nand. Ik ben moe vandaag en 't is weer zo vroeg dag.’

‘Ga je gang, Baltus! Slaap lekker hoor!’

Met een ruk draaide Baltus zich naar de muur en deed, of hij werkelijk ging maffen.

Nand hield zich muisstil. Daar sloeg het elf uur. Zachtjes ging Baltus rechtop zitten en met wou hij uit het bed glijden, toen Nand zuchtte:

Och, och, wat is het toch lastig, als je de slaap niet kunt vatten.’

‘Met een vloek schoof Baltus weer onder de dekens. Nand, die goed gehoord had, wat Baltus zei, vroeg er nog eens heel onnozel naar.

“Och, dat verbeeld je je maar. Ik zei helemaal niks. Maak me nu niet altijd wakker.”

Baltus, onrustig door zijn bed heen en weer woelend, kookte van woede. Wat bezielde dat mispunt nu opeens. 't Was net, of hij hem treiteren wou. Vader stond zeker al beneden te schelden. Och, heer, half twaalf. Baltus luisterde scherp. Ja, nu sliep die dwarsdrijver eindelijk. Nog een ogenblikje en dan als een haas naar beneden. Stel je voor, dat alles mislukte. Dan ging hem de beloofde daalder langs de neus en kwam er een ongenadig pak rammel voor in de plaats.

“Luister, nu begint hij te snurken!”

[p. 79]


Inderdaad, Nand snurkte. Opzettelijk natuurlijk. Hij was klaar wakker en uiterst benieuwd, naar wat Baltus van plan was.

Deze keek over de rand van het bed en luisterde nog eens met ingehouden adem. Alles in orde. Hij sloeg de dekens terug en stak zijn benen over de bedrand. In het andere ledikant bleef alles rustig. Nu waagde hij het maar om zachtjes helemaal uit 't bed te schuiven.

Met een ruk sprong Nand op en riep:

Baltus, wat ga je doen? Ben je ziek? Ik geloof het wel, hé?

Ze noemen dat slaapwandelen!’

‘Ik wou dat je op de maan zat, Nand, dan kon je sterren plukken. Je doet me telkens zo schrikken. Waarom heb je toch zo'n zorg voor mij. Kijk naar je eigen!’

‘Maar kalm aan, Baltje. Niet zo gauw kwaad zijn, man. Ik meen het toch goed. Stel je voor, je klom uit het raam en wandelde zo door de dakgoot. Slaapwandelaars doen zoiets.’

‘Loop naar de pomp met je slaapwandelaars. Je bent mijn kindermeid niet.’

Zo'n pech toch. 't Was om er grijze haren van te krijgen. Wit van woede legde Baltus zich weer te bed. Hij snapte er niks van. Waarom maakte die Nand zich toch zo druk vanavond. Alles liep mis. Twaalf uur.... Hij stelde zich voor, hoe vader en zijn kameraad beneden bij de poort raasden en dreigden. Maar hij kon er toch ook niets aan doen en zou nu wel door de schuld van dien stommen Doveren vast en zeker een flink pak slaag krijgen.

‘Maar Nandje, dat krijg je honderdvoudig terug. Hoor ik, dat je buiten het klooster komt, manneke, geloof 't maar, mijn vader zal je weten te vinden!’ - - -

Beneden aan weerskanten van het tuinpad voor het poortje stonden lage heesters. De beide mannen hadden zich daar verborgen. Toen het half twaalf sloeg, werden ze ongeduldig. Waar bleef Baltus toch? Hij moest maar vooruit maken.

‘De daalder is hij alvast kwijt, omdat ie ons zo lang laat wachten,’ zei de vader van den jongen grommend tegen Peter.

‘Nou Ties, je kunt niet weten, wat er tussen gekomen is. 't Is nog al lastig voor hem om ongemerkt weg te komen, omdat er nog iemand op die kamer slaapt. Wie is dat ook weer?’

‘O, die! Dat is een zekere Nand Doveren. Zijn vader is de pachter van de hoeve “Zur Wentzelen.” Met dien jongen heb ik nog een grote rekening te vereffenen. Als hij ons in de vingers valt, Peter, dan zullen we dien vlegel eens goed onder handen nemen. 't Is niet onmogelijk, dat hij ook nu weer onze kansen bederft. Stel je maar voor, dat die melkmuil wakker wordt, als Baltus de kamer probeert te verlaten. Het kraken van een plank of een matras kan de oorzaak zijn en dan zit Baltus te kijken. We wachten tot half twee. Komt hij dan niet, dan hoop ik, dat

[p. 80]


hij zijn wegblijven aannemelijk kan maken. Anders wee hem!’

Er verscheen geen Baltus en nog vóór het sloeg, slopen de dieven weg. Maar omdat de nacht toch wat opbrengen moest, had Ties al een nieuw plan voor een inbraak gemaakt.

‘Luister, Peter! Voorgister was ik in Kerkrade en wandelde eens rond de nieuwe pastorie. Pastoor Delcheur stond bij zijn kippenren te kijken. Er liepen een paar prachtige kapoenen rond. Zullen we daar eens op afgaan?’

‘Vooruit, Ties! Die halen we. Ik begin nu al te watertanden.’

Langs binnenwegen belandden zij in de Wijngracht. Vandaar leidde een voetpad naar de kerk. Ongezien kwamen de kerels in de tuin van den pastoor en slopen behoedzaam naar het hok, waarvan ze de deur gemakkelijk open kregen. Het vangen van de slapende dieren was geen moeilijk werk. Alleen kostte het wat moeite de begeerde kapoenen te vinden. Deze verdwenen in de zak van Ties, terwijl Peter een paar vette soepkippen in de zijne stopte.

Langs dezelfde weg, als ze de tuin binnen gekomen waren, verdwenen de dieven in de duistere nacht.