Avonturen in het land van Rode/Nand wordt geen jager

Avonturen in het land van Rode




9 Nand wordt geen jager

Baltus kwam een tijdje later boven en zag Nand met een verbonden hoofd in bed liggen.

‘Hoe is het, Nand? Wat is er toch met je gebeurd?’

Nand vond het vreemd, dat Baltus zich nu opeens zo bezorgd over hem maakte. Zou hij hem toch verkeerd beoordeeld hebben? Hij scheen een goed hart te hebben. Daarom antwoordde Nand dan ook:

‘Ik weet het niet, Baltus. Ik geloof, dat het een helper van Chris Stevens was, die zich op mij wilde wreken. In elk geval, ik zal de eerste tijd een beetje moeten oppassen.’

‘Dat moet je ook maar doen. Alle knechts hebben besloten uit te kijken en op te letten, of er niks van dien aanrander te ontdekken is. Geloof maar, als hij ons in de vingers valt, dat wij het hem dan geducht zullen inpeperen. Nand, ik zou het haast vergeten, het nieuwste is, dat de Rimburgers morgen veroordeeld zullen worden. Maar slaap nu maar eens goed, dan ben je ook weer gauw opgeknapt.’

‘Ja, dat hoop ik, Baltus. Wel te rusten, hoor.’

‘Slaap lekker, Nand.’

Maar goed, dat Nand Doveren het valse gezicht van zijn kamergenoot niet zien kon.

Baltus stapte heimelijk lachend in zijn bed en rolde zich in de dekens. Wat was hij in zijn sas, dat zijn vader dien aap alvast 'ns onderhanden genomen had.

‘Ik zal hem wel klein krijgen. Als oom Chris wat overkomt, is ie nog niet van me af,’ zwoer Baltus stil bij zich zelf. - - -

Buiten sneeuwde het. Een ijskoude wind joeg de fijne sneeuw op hopen. De kou dwong de mensen thuis te blijven. Nergens was een levende ziel te zien. Nu en dan hoorde men een hond janken.

Toch was er nog iemand, die weer en wind trotseerde en moeizaam door de sneeuw waadde in de oprijlaan naar de abdij. Wat moest die man toch nog zo laat?

Bij de kloosterpoort bleef hij staan en haalde met veel moeite een stuk papier uit de binnenzak van zijn jas te voorschijn. Hamer en spijkers had hij ook meegebracht. Het was niet gemakkelijk die dingen in zijn verkleumde handen te houden.

Het papier streek hij glad tegen de deur om het met zachte tikken op twee plaatsen vast te spijkeren. Zodra hij daarmee klaar was, maakte hij zich zo snel mogelijk uit de voeten.

In de abdij, waar niemand iets bemerkt had, begon als altijd om half twee het koorgebed.

De monnik, die om vijf uur het klooster verliet, om in de parochiekerk van Kerkrade de vroege mis te gaan lezen, bemerkte ook niets van het papier.

[p. 49]


Tegen half zeven keerde hij terug. Van verre zag hij reeds de witte plek op de kloosterpoort en nieuwsgierig, wat dat kon zijn, versnelde de monnik zijn pas.

Na weinige ogenblikken stond hij voor de poort en las met verbazing de vastgespijkerde bedreiging:


illustratie

Haastig liet hij de klopper op de deur vallen. De slag dreunde na in de stille kloostergang.

Het wachten duurde hem te lang en voor de tweede keer bonsde het ijzer op het eikenhout. - - -

De deur ging open. Met verstoord gezicht keek de portier, wie daar buiten zo ongeduldig klopte.

O, het was een Koorheer. Och ja, hij begreep het best. 't Was ook zo koud. Daarom zo'n haast. Maar de monnik greep den portier bij de mouw, trok hem ruw naar buiten en wees den onthutsten broeder het papier. Deze staarde met open mond naar die vreemde aankondiging. Dat moest toch onmiddellijk aan den abt gemeld worden.

De portier rukte het papier van de deur en liep naar binnen. In enkele minuten stond hij voor het werkvertrek van abt Heyendael. Haastig klopte hij en zonder antwoord af te wachten, opende hij de deur.

De abt, die achter zijn werktafel zat te schrijven, keek verstoord op en wilde den broeder een strenge terechtwijzing geven voor zijn overtreding. Maar de zenuwachtige bewegingen van den portier weerhielden zijn woorden. De portier legde het stuk papier voor den abt op tafel neer met de woorden:

‘Vader, dit vonden we op onze kloosterpoort gespijkerd.’

Abt Heyendael nam hat blad en las, wat er met onvaste en weinig geoefende hand op geschreven stond. Nadenkend tuurde

[p. 50]


hij op de woorden. Dus wanneer die Rimburgers hun rechtvaardige straf kregen, zouden hun handlangers wraak nemen. Op welke manier zouden ze dat willen doen.

Hij keek op en vroeg den broeder, of er nog sporen van die nachtelijke bezoekers te zien waren.

‘Jammer genoeg is er niets meer van te zien, want de pas gevallen sneeuw heeft alles uitgewist, Vader.’

‘Ga en roep den prior.’

De broeder haastte zich het bevel uit te voeren. De prior was niet op zijn kamer en nu liep de portier door de kruisgangen en vroeg overal naar den overste, dien hij eindelijk in de kerk aantrof. De prior stond bij den steenhouwer en sprak met dezen over enige grafzerken en verzakte gedeelten van de vloer, die noodzakelijk hersteld moesten worden.

Dadelijk begaf de prior zich naar den abt.

Samen overlegden zij, wat in dit geval te doen. Tot zijn grote verwondering vernam abt Heyendael nu pas, wat er de vorige avond met Nand Doveren gebeurd was. Die aanplakking was dus niet enkel een bedreiging, maar de bandieten stonden al gereed om aan te vallen.

De abt liet Nand roepen, die hem alles nog eens uitvoerig vertelde.

Vader Abt keek nadenkend naar buiten. Na enig overleg had hij zijn besluit genomen en deelde Nand mede, dat het beter was, om voorlopig binnen de abdij te blijven. Dit was veiliger voor hem en daarom beval hij den prior Nand een taak aan te wijzen.

Beiden stonden op, bogen en verlieten den abt.

De prior bracht den zichtbaar teleurgestelden Nand naar de kerk bij den steenhouwer.

‘Most, hier is hulp voor je. Maar vandaag moet je nog alleen werken, want Nand heeft nog een dag vrij. Morgenvroeg zal hij present zijn om je te helpen.’

‘Best, prior, zo'n hulp is me zeer welkom.’

En tot Nand:

‘Morgen, jongen, beginnen wij hier en knappen de vloer van onze abdijkerk op.’

‘Nou Most, vandaag wil ik ook wel beginnen. Maar 't zal niet zo vlug gaan, want ik heb nog altijd wat pijn in mijn hoofd.’

‘Neen, Nand,’ kwam de prior tussenbeide, ‘vandaag heb je nog vrijaf. Ga maar 'ns naar den heelmeester. Die kan je misschien wat geven. Straks moet je met de jagers naar 's Hertogenrade gaan, want vanmiddag wordt het vonnis over de Rimburgers geveld.’

De prior en Nand verlieten de kerk. De laatste wandelde naar de boerderij. Die hoofdpijn zou wel verdwijnen. Kleinzerig was Nand nooit geweest.

[p. 51]


Bij het hek van den moestuin ontmoette hij zijn vriend Sjang.

‘Ho, Nand! Waar naar toe? Kom 'ns mee naar Pitter. Die strompelt rond op een stok. Hoe maak jij het, zeg?’

‘Met mij loopt het wel los, Sjang. Onkruid vergaat niet, hoor. Waar zit Pitter?’

‘Dat raad je nooit, jongen? Kom maar 'ns mee.’

In de keuken van het dienstpersoneel zat Pitter en hij hakte vlees op een grote eikenhouten plank. Nand en Sjang begonnen te lachen.

‘Die jaagt nu achter de lekkere hapjes. Heb je wat in de gaten?’

Pitter wenkte met de lap vlees, die hij net op het hakbord leggen wou.

Sjang en Nand stapten proestend de keuken binnen.

‘Ik geloof Pitter, dat dit de beste manier is om gauw beter te worden,’ merkte Naad op.

De jager ging er niet op in, maar riep:

‘Jongens, straks gaan we naar 's Hertogenrade. Ik wil er bij zijn om te horen welke straf die lummels krijgen. 't Vonnis zal niet mals zijn, geloof me dat. Gisteren is aan het licht gekomen, dat het edele drietal ook nog een moord op het geweten heeft. Het moet twee jaren

illustratie De oude Sint Lambertuskerk van Kerkrade


geleden in de buurt van Kerkrade gebeurd zijn. Maar nog iets, jongens! Vanmorgen ging een Koorheer naar Kerkrade om in Sint Lambertus mis te lezen. Toen hij terugkwam, vond hij een papier op de poort genageld. De Kromme moest vrijgelaten worden, anders zouden ze zich wreken, stond er op. Hoe vinden jullie dat?’

Nand en Sjang keken elkaar aan. Wat moest dat nu betekenen? Nand ging een licht op. Hij had gisteravond de eerste beurt gehad en begreep nu ook, waarom de abt hem geen jager maakte en het veiliger vond hem voorlopig binen de muren van het klooster te houden.

[p. 52]


‘Ze moeten maar voorzichtig zijn,’ vervolgde Pitter, ‘probeert er één ons een haar breed in de weg te leggen, hij zal er niet gemakkelijk afkomen! Wij zijn nu met z'n vijven. Laat ze maar komen!’

‘Het zal wel een tegenvaller voor je zijn, Pitter, maar er is niks aan te doen. Ik word geen jager.’

‘Wat vertel je me nou? Ben je stapel, of wil je me soms kwaad maken, Nand?’

Pitter was opgesprongen, maar een stekende pijn herinnerde hem aan zijn beenwonde.

Sjang greep den jongen bij de schouder en bulderde hem toe:

‘Zeg gauw, dat het niet waar is, anders gebeurt er een ongeluk!’

‘Laat me los, Sjang. Wat ik zeg, is waar. Vader Abt heeft me pas gezegd, dat ik in de abdij te werk gesteld word en van den prior kreeg ik al een opdracht. Ik moet Most helpen bij de herstellingen in onze kloosterkerk. Graag was ik weer met jullie er op uitgetrokken, omdat wij het samen zo goed konden vinden.... Er is echter niets aan te veranderen, omdat de abt het veiliger vindt, dat ik hier blijf.’

‘Dat is me ook een boodschap, Nand. Jongen, jongen, wat valt me dat tegen,’ riep Sjang uit.

Pitter beviel het ook niet. Hij wist echter, dat abt Heyendael nooit op een eenmaal genomen besluit terugkwam. Hij moest zich maar bij het feit neerleggen. Jammer was het, doodjammer.

‘En toch, Nand, hoop ik het nog eens ooit van onzen abt gedaan te krijgen, dat je weer met ons mee gaat. Bij de eerste beste gelegenheid begin ik er weer over.’

‘Je kunt het proberen, Pitter. Het zal niet veel uithalen. Maar kom, hak jij verder het vlees en zorg er voor, dat we een lekkere pot krijgen vanmiddag. Hoe laat moeten we naar 's Hertogenrade?’

‘We gaan om één uur, omdat ik met mijn been niet zo vlug vooruit kan. Jullie helpen me wel, als 't nodig is, hé? Om half twee moeten wij er zijn.’

‘Tot straks dan!’

Sjang en Nand verlieten de keuken, drentelden wat rond over de boerderij en bleven kijken bij den hoefsmid, die den ouden hengst van nieuwe ijzers voorzag....

Na het eten zag men op de wegen naar 's Hertogenrade groepjes mensen, die druk pratend zich naar het stadje begaven. Zij wilden allen getuige zijn van de veroordeling der drie misdadigers.

De markt stond al vol volk. In de rechtszaal kon niemand meer binnen. De jagers waren ook te laat gekomen en wachtten nu buiten ongeduldig op de uitslag.

[p. 53]


Van wat er binnen gebeurde, zagen of hoorden ze niets. Dat de mensen in de deuropening op hun tenen gingen staan en de halzen rekten, was voor de buitenstaanders het bewijs, dat de rechters plaats genomen hadden en de gevangenen voorgeleid werden. He geroezemoes op de markt stierf weg. Alleen hoorde men het stampen van de voeten op de vastgetrapte sneeuw.

Daar drongen de mensen naar buiten. Van mond tot mond ging het:

‘Ze zijn ter dood veroordeeld wegens roof en doodslag. De terechtstelling zal overmorgen vroeg plaats hebben.’

Dat was het droevig einde van die schurken. De mensen verspreidden zich in alle richtingen. Ook de Kloosterraders keerden terug. Op de weg naar Kerkrade zag Nand een lange, magere man voortstappen. Hij bleef staan en zei tegen de anderen:

‘Kijk, dien langen slungel daar! Die lijkt veel op dien vent, die mij gisteren te lijf ging.’

Zij keken hem na, tot ie verdween om de hoek van een huis.

Thuis vonden ze Baltus met een somber gezicht bij het vuur zitten. Hij was niet mee geweest en had nog maar altijd gehoopt, dat zijn vader iets voor Oom Chris had kunnen doen. Zodra hij de uitspraak van de rechtbank hoorde, stond hij op en liep de deur uit. 's Avonds bij het slapen gaan, deed hij zenuwachtig druk. Nand keek hem aan en begreep maar niet, hoe die jongen in twee dagen zo veranderen kon.