Avonturen in het land van Rode/Ontsnapt

Avonturen in het land van Rode




16 Ontsnapt

Nand haalde de fles voor de dag, die hij bij de komst van Baas Kreekmans zo vlug mogelijk onder het stro geschoven had.

Wacht eens. Dat was een goed idee. Die fles was hun redding. Hij rolde zich naar Kaspar en vertelde hem fluisterend, wat hij van plan was.

‘Het is onze redding, Kaspar.’

‘Hoe dat dan? Dat snap ik niet goed.’

‘Niet? Nog al eenvoudig hoor. We slaan de fles stuk en schuren dan aan de scherpe stukken de touwen door. Het zal wel niet zonder bloeden gaan. Maar wat geeft dat, als we maar uit dit hol komen.

‘Hoe wou je de fles stuk slaan zonder al te veel lawaai te maken?’

‘Stil maar. Dat speel ik wel klaar, hoor!’

Nand schoof de fles naar zijn voeten, tilde vervolgens zijn samengebonden benen op en met één slag van zijn hakken ging de fles in scherven. De bovenste helft was geheel en al verbrijzeld. Met die kleine stukjes konden ze niks beginnen, maar het onderstuk was goed bruikbaar. Nadat dit met veel moeite in het stro vastgezet was, ging Kaspar zo liggen, dat hij het glas met de vingertoppen een beetje op zijn plaats kon houden. Voor Nand begon nu een lastige karwei. Hij ging zo zitten, dat hij met zijn handen langs het glas kon schuren. Even een onvoorzichtige beweging en hij had al een snee in zijn linkerduim. Daar gaf Nand niets om. Op het gevoel bracht hij het stuk touw rond zijn handen op een scherpe kant en schoof zover naar rechts, dat hij precies dat stukje doorschaven kon, waar zijn palmen tegen elkaar lagen. Daar was de minste kans op verwondingen. Eindelijk, na veel heen en weer schuiven, kon hij beginnen. Langzaam bewoog Nand zijn armen op en neer. Kaspar hoorde duidelijk, iedere keer als het touw over het scherpe glas schoof, hoe de vezels doorgesneden werden. Nand liep het zweet over het gezicht. Daar lette hij niet op, want voor zijn vrijheid was hem geen inspanning te veel. Au! Hij schampte af en een scherpe punt drong in zijn hand. Naar Kaspar, die medelijden met hem had, luisterde Nand niet en hij begon weer met nieuwe moed, nadat hij zijn maat het glas had laten draaien om een verse breuk te kunnen benutten.

Krak.... hij was er door. Weer een nieuwe verwonding door de schok. In een wip had de jongen zijn handen vrij. Nu de voeten losmaken. Nand sprong op, rekte zijn pijnlijke ledematen uit en had wel kunnen schreeuwen van blijdschap. Jongens, wat had hij striemen om polsen en enkels. Nu vlug Kaspar helpen. Het losmaken was een werk van enkele minuten.

Daar stonden ze en zij hielden elkaar vast. Hoe laat zou

[p. 89]


het zijn? Geen van beiden had enig idee. Het beste was, zo weinig mogelijk tijd te verliezen. Door het keldergat zagen zij de sterrenhemel. In de buurt zong een nachtegaal.

‘Zeg, Kaspar, nu begint de tweede karwei. We moeten er ongemerkt uit zien te komen.’

‘Dat is de kunst, Nand. Zouden er geen wachten in de buurt staan?’

‘Nou, dat denk ik niet. Anders had baas Kreekmans zich niet de moeite gegeven uit z'n bed te komen om te zien, of zijn gasten ook zacht sliepen.’

‘Daar heb je gelijk bij. Maar kijk nu eerst eens naar je handen, ik geloof, dat je flink bloedt.’

‘Dat is zo, Kaspar, en 't doet ook een beetje pijn. Wacht, in het stro ligt ergens een zakdoek. Die binden we er om, dan zal het wel loslopen.’

Na enig zoeken vond Kaspar de doek en hielp Nand z'n handen verbinden.

‘Waar vinden we nu een uitgang, Nand? De deur is goed gesloten en het kelderraam is nogal hoog. Er staat bovendien een staaf in. Daar kunnen we dus niet door.’

‘Niet zo gauw zeggen, Kaspar. Eerst proberen. Misschien is die staaf er uit te krijgen. Als je me maar even helpt, dan zullen we dat gauw genoeg weten.

Nand, die zijn voet op de gevouwen handen van Kaspar zette, was in een wip bij de opening. Hij wrikte aan het ijzer en bemerkte, dat dit helemaal los zat. Je kon er mee op en neer schuiven. Op de tast onderzocht hij, hoe dat ding van onderen bevestigd was. Nou, als hij een breekijzer of zoiets had, was het een kleinigheid. De staaf stond tussen twee stukken hardsteen, die door ouderdom doorgezakt waren. De gleuven in beide stenen waren tamelijk uitgesleten.

‘Zeg Kaspar, zoek 'ns in de kelder, of je daar niet een stuk ijzer of zoiets vindt. Als we dat hebben, zijn we klaar.’

Op handen en voeten kroop Kaspar door de kelder, maar nergens was iets van dien aard te ontdekken. Hij voelde langs de muren. Te vergeefs! Dan maar de trap op. Veel hoop had hij niet meer. Hij stond boven voor de deur en zenuwachtig schoven zijn handen langs het hout. Niks! Terwijl hij tastend met zijn voet de eerste trede zocht, raakte zijn elleboog iets, dat bewoog. Direct greep Kaspar in die richting. Wat was dat? Zijn hand gleed naar boven langs een metalen voorwerp. Hé, een gevest! Zeker een sabel! Zacht lichtte hij het ding van de spijker. Ja waarachtig, een oude soldatensabel, die er blijkbaar al lange tijd gehangen had, te oordelen naar de roestlaag, die Kaspar op het lemmet voelde. Zo vlug hij kon, daalde de jongen de donkere trap af.

[p. 90]


Nand, die in zijn schik was met die vondst, wist, dat zij nu uit de brand waren.

De punt van de sabel zette hij in de naad tussen de stenen en peuterde zo de brokkelige specie er uit. Hij probeerde, of hij ze niet een beetje verder uit elkaar kreeg. Het was wel inspannend werken in die enge ruimte, maar hun vrijheid hing er van af. Nand, die nog al last had van de verwondingen aan zijn handen, schoof het telkens uitschietende wapen weer in de spleet en trachtte deze door wrikken wijder te maken.

Knap!.... de sabel brak. Echt pech hebben. Zonder zich te laten ontmoedigen plantte Nand het bovenste stuk, dat nog goed bruikbaar was, weer in de spleet, tot opeens een brok van een der stenen afsprong en daardoor de ijzeren staaf geheel vrij stond. In een wip was die er uit en de weg naar de vrijheid lag open.

‘We zijn zo ver, Kaspar. Ga op zij, ik smijt de sabelstukken in het stroo.’

Toen kroop Nand naar buiten, pakte, op zijn buik liggend, Kaspar bij de handen en trok hem zo omhoog.

De boomgaard, waarin zij zich nu bevonden, lag aan de achterkant van het huis. Waar waren ze? Welke kant moesten ze uit?

‘Weet je wat, Nand, we vluchten hier langs deze heg. Misschien, dat we op een weg komen. Dan kunnen we verder zien.’

Terwijl ze in gebogen houding, zo vlug het ging, langs de doornhaag slopen, kreeg Nand een pijnlijke striem in zijn gezicht, doordat hij tegen een overhangende rank van een braamstruik liep, die met zijn kleine scherpe doornen zijn wang open scheurde. Daar was echter niet naar te kijken, want ze hadden geen minuut te verliezen. De beide jongens belandden in een hoek, waar de heg zo hoog was, dat ze onmogelijk er over konden klimmen. Kaspar vond echter een plek, waar vroeger een gat geweest was, dat men met rijshout dicht gemaakt had. Ruggelings liet hij zich er tegen vallen en jawel, krakend braken de dorre takken, zodat er een opening ontstond. Fluks er door. Vóór hen lagen een korenakker en een bietenveld. Zij volgden de scheiding tussen beide en kwamen op een veldweg terecht. Welke kant uit? Maar naar rechts, want tien tegen één dat, wanneer ze naar links gingen, zij weer bij het punt van uitgang zouden komen. Ongeveer tien minuten later stonden zij bij een viersprong.

‘Och, hemel, Nand, nou weet ik, waar we zijn. Nog al een flink eind van huis hoor!’

‘Waar dan?’

‘Wel in de buurt van hoeve Bongaerd. Daar ben ik verschillende keren met mijn oudsten broer geweest. In het begin van de zomer nog, toen we daar een jongen stier gekocht hadden Nu weet ik, hoe we moeten lopen. 't Is wel nog een flinke tippel. maar we komen terecht. Weet je wat, we praten zo weinig moge-

[p. 91]


lijk en letten goed op, of er iemand komt. Omdat we ongewapend zijn en niet weten, welk gespuis we kunnen ontmoeten, is het raadzaam, dat we ons tijdig kunnen verbergen.’

‘Ik ben echt blij, Kaspar, dat jij weet, waar we ons bevinden. Jij neemt de leiding, hoor!’

Samen sloegen zij de veldweg in, die Kaspar aanwees. Achter elkaar lopend, trachtten zij, zo goed en kwaad het ging, 't midden van de weg te volgen om niet te struikelen door de diepe karresporen aan weerszijden.

Kaspar bleef plotseling staan. Hij hoorde praten. Fluisterend vroeg hij aan Nand, of hij het ook hoorde. Ja, er naderden mensen. Het veiligste was, maar gauw achter de struiken op de berm beschutting te zoeken. Zij kropen achter het eikenhakhout, waar overal glimwormpjes, als vliegende vonkjes, tussen de bladeren zweefden. Aan en uit gingen die kleine lichtjes.

Ze hoorden duidelijk de voetstappen. Dicht bij hun schuilplaats bleven de onbekenden staan, zodat de vluchtelingen elk woord duidelijk verstonden.

‘Ik hoorde van Ties van Bleyerheide, dat hij er ook een gebracht heeft en voor dien kerel een behoorlijk losgeld verwacht. Maar van te voren wil hij dat ventje eens goed onder handen nemen. Bij baas Kreekmans kan hij gerust zijn gang gaan. Niemand, die er wat van hoort.’

‘Het zal een feest worden, Bert. Kom, we gaan het tweetal eens bekijken. Kreekmans zal wel brommen, als we hem uit het bed halen, maar dat geeft niets. Die kerel heeft eenvoudig te doen, wat wij van hem verlangen.’

De mannen vervolgden hun weg.

Nadat ze nog een poosje geduldig gewacht hadden, kwamen Nand en Kaspar uit hun schuilhoek te voorschijn. Kaspar zei:

‘Hoorde je, Nand? Een zekere Ties van Bleyerheide heeft je hier afgeleverd. Ken je dien vent?’

‘Neen, nooit van gehoord zelfs. Ik kan Vader Abt, als ik thuis kom, in elk geval een naam noemen. Misschien, dat de schout van Kerkrade iemand kent, die zo heet.’

‘'t Is te hopen, jongen.’

Zwijgend gingen ze verder en hun weg leidde nu door beemden, waar op verschillende plaatsen hoge hooioppers stonden.

Als aan de grond genageld bleef Kaspar plotseling staan. Nand liep tegen hem aan en vroeg, wat er was.

‘Gauw, Nand, neer! Plat op de grond,’ fluisterde Kaspar met hese angststem, zijn gezel naar omlaag trekkend.

‘Wat is er toch, jongen? Je beeft van angst.’

‘Kijk, daar onder bij de beek. De vuurman stijgt uit het moeras op. Hou je stil! Als hij ons met zijn vuurklauwen grijpt, zijn wij verloren.

[p. 92]



illustratie

Nand keek in de aangewezen richting. Duidelijk zag hij bij het water een vurige tol omhoog stijgen, die zich langzaam verhief en langs de wilgen voortzweefde om dan weer even geheimzinnig te verdwijnen, als hij gekomen was.

De jongen vond dat ook een vreemd verschijnsel. Zoiets had hij nog nooit gezien. Wat zou het zijn? Bijgelovig was hij nu juist niet, maar een vaag gevoel van angst bekroop hem toch. Dat die vuurbol je kon grijpen, leek hem erg onwaarschijnlijk. Dadelijk als ze verder gingen, zou hij Kaspar om uitleg vragen. Hij bleef maar stil liggen, net zo lang, als zijn maat het nodig oordeelde.

‘Vlug Nand, opspringen en dan lopen hoor, tot we de grote weg bereikt hebben.’

Ze sprongen gelijktijdig overeind en holden weg. Enige honderden meters verder bereikten zij een goed onderhouden grintweg. Hier konden ze weer gewoon doen, omdat het gevaar van zo'n spook te ontmoeten geweken was.

Hijgend stapten ze voort. Toen ze weer op adem waren, kon Nand zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen.

‘Nu moet je me toch eens uitleggen Kaspar, hoe zit dat met die vuurmannen. Ik snap er niets van.’

‘Luister, Nand. In de zomer stijgen de vuurmannen altijd uit de moerassen op. Het zijn de zielen van de verdoemden, die ongeluk brengen aan ieder, die zij ontmoeten. Slaat hun slachtoffer op de vlucht, dan begint de achtervolging op leven en dood. Mijn grootvader heeft het meegemaakt, dat een van zijn knechts een vuurman tegenkwam. De man rende weg, achtervolgd door de gloeiende bol. Hij bereikte bijtijds de boerderij en vloog de schuur binnen, die gelukkig nog niet gesloten was. Met een klap sloeg hij de deur dicht en zakte hijgend in elkaar op de deel*). Duidelijk hoorde de knecht het vuurspook tegen het hout botsen. Toen men de volgende morgen ging kijken, waren de brand-

  • )De deel is de lemen dorsvloer in de schuur.

[p. 93]


sporen van de gloeiende klauwen duidelijk zichtbaar. Om den vuurman te weren zie je ook overal op de muren van de boerderijen die grote, witte kruisen.’

‘Geloof jij daar allemaal aan, Kaspar? Dat lijkt me allemaal toch zo onwaarschijnlijk. Mijn ouders zeggen altijd, dat een braaf christenmens zich met zo iets niet moet ophouden. Als ik weer in Kloosterrade ben, vraag ik toch bij gelegenheid eens aan een Koorheer om opheldering over die vuurmannen.’

‘Dit zeg ik je, Nand, bid maar, dat je er nooit een ontmoet.’

Nand vond deze overdreven angst een beetje belachelijk en merkte, dat zijn metgezel op dit punt onverzettelijk was. Maar dat moest hij zelf weten. Dom was het zich zoiets in het hoofd te zetten.

Zij bereikten Voerendaal en spoedig stonden ze voor de boerderij van moeder Hembeek, waar de hartjes in de luiken aan de straatkant nog verlicht waren.

‘Moeder is nog niet naar bed en wacht op mij,’ fluisterde Kaspar.

Hij klopte drie maal. Een ogenblik later vroeg een bevende stem achter de poort, wie er was. Nauwelijks had de vrouw de stem van haar zoon herkend, of de deur vloog open. Wat was ze blij, dat de jongen eindelijk thuis was. Deze vertelde gauw, wie hij meebracht.

Nog lang zaten zij bij elkaar in de boerenkeuken. Terwijl de jongens zich te goed deden aan vers roggebrood met ham, vertelden ze, wat ze beleefd hadden.

De zon kleurde reeds de hemel in het Oosten, toen ze naar bed gingen. Trots zijn loomheid knielde Nand nog even neer, om Onzen Lieven Heer te danken voor zijn redding. Daarna liet hij zich op het bed vallen en sliep onmiddellijk in.....