Avonturen in het land van Rode/Terug naar Kloosterrade

Avonturen in het land van Rode




24 Terug naar Kloosterrade

Drie dagen konden de Kloosterraders uitrusten. De knechts van de Roderhoeve hadden intussen ruim de tijd, om de wagens behoorlijk te laden. Menig vat jonge wijn werd uit de kelders naar boven gesjouwd.

De vierde dag na hun aankomst woonden Belten en zijn knechts de Heilige Mis bij in de eeuwenoude kerk van Ahrweiler, om van Onzen Lieven Heer de bescherming over die lange tocht, welke zeker niet zonder gevaren was, af te smeken.

Na de mis gebruikten zij samen met het gehele personeel van de Roderhoeve het ontbijt. Na dit vrolijk afscheidsmaal werden de paarden ingespannen en vertrok het transport onder luid gejuich van de achterblijvenden.

De terugreis viel niet mee, wat het weer betrof. De koude herfstregens doorweekten hun kleren, zodat zij 's avonds verkleumd van kou in de herberg, waar zij overnachtten, rondom het vlammend haardvuur kropen.

Op de tweede dag beleefden zij hun eerste avontuur.

Pachter Belten, Nand en twee knechts zaten op de voorste, Pierre, de beide andere knechts en Baltus, bevonden zich op de achterste wagen.

Het was reeds avond geworden en tot de volgende pleisterplaats was nog een goed uur rijden. In het vage schijnsel van de bengelende lantaarn stapten de paarden rustig voort over de eenzame, donkere weg door dichte dennenbossen.

Geheel onverwachts struikelde het voorste paard. Doordat de twee volgende niet direct stilstonden, trapten zij op het gevallen paard, dat geweldig te keer ging, waardoor de strengen in de war raakten.

De beide knechts van Belten sprongen dadelijk naar beneden, om de dieren te bevrijden. Door ervaring wisten zij, hoe ze zo'n karweitje moesten aanpakken, om te voorkomen, dat er ongelukken gebeurden.

Voordat Pierre bij hen was, waren ze al klaar. Zij wilden nog even kijken, of het tuig niets geleden had, toen opeens drie mannen, in lompen gekleed, uit de duisternis te voorschijn traden en dreigend hun vuurnoren op de geschrokken reizigers richtten. Ze eisten geld en onderzoek naar de lading en dreigden te zullen schieten, als Belten niet onmiddellijk aan hun verlangen voldeed.

Nand liet zich vlug naar beneden glijden, wat hij in de duisternis ongemerkt kon doen. Hij liep naar de helpers van Pierre en maakte met hen achter de wagen vliegensvlug een krijgsplan.

De bandieten waren slechts met hun drieën. Zij hadden één man meer en wilden proberen de aanvallers te overrompelen.

Twee aan twee slopen de jongens links en rechts het bos in

[p. 147]


en liepen in een boog tussen de stammen door, tot zij een eindje vóór de wagens weer op de bosweg kwamen. Het geluid van krakende takjes onder hun voeten ging verloren in het gedruis van de wind.

Een ogenblik nog en de drie rovers, die een goeie en gemakkelijke vangst meenden te hebben, werden door vier potige knechts besprongen.

De musketten gingen af, gelukkig zonder iemand te raken. Een korte worsteling en de rovers lagen op de grond, stevig vastgehouden door de hijgende Kloosterraders.

Met sterke touwen werden de bandieten gebonden, daarna moesten zij hun voet op de naaf van het voorwiel zetten en zelf naar boven klimmen. Op die vaten was het wel niet gemakkelijk om te liggen, maar daar was niets aan te veranderen. Voor de voorzichtigheid bond Belten ook nog hun voeten.

Nand sprong weer op de weg, want hij wilde weten, hoe dat paard gevallen was. Aan een voorpoot ontdekte hij een snee in de huid en dadelijk rees bij hem de vraag, op welke wijze het dier die wonde opgelopen had. De jongen pakte een lantaarn en zocht, of er misschien een scherp voorwerp op de weg lag. Niets te zien. Hé, wat is dat? Een eind touw! Nand trok er aan en merkte, dat het vast zat. Bij nader onderzoek bleek, dat die kerels een touw over de weg gespannen hadden.

Nadat de poot zo goed mogelijk verbonden was, werd de reis voortgezet.

In het stadje, waar ze de nacht wilden doorbrengen, gaf hun aankomst een hele opschudding. De gelagkamer van de uitspanning liep in een oogwenk leeg, want ieder wilde de gevangen gauwdieven zien.

Het edele drietal stond met de handen op de rug gebonden langs de muur en keek de nieuwsgierige mensen brutaal aan.

De schout, die inmiddels gewaarschuwd was, kwam haastig aan en monsterde de gevangenen. Bij den derde hief hij de lantaarn in de hoogte, om beter het gezicht te kunnen zien.

‘Hé, manneke, jou kennen we! Wat een vangst, mensen!’

Hij liet Belten, die binnen alles met de waard regelde, roepen en zei opgewonden:

‘Die daar,’ hij wees naar een kleinen gedrongen man, met een woest uiterlijk, ‘is een gevaarlijke bandiet, dien wij al lang zoeken. Verschillende jaren zwerft hij plunderend rond. Één keer hadden wij hem te pakken, maar hij wist te ontkomen. Er is een som geld uitgeloofd, voor wie hem vangt. Die heb jij verdiend, voerman. Kom morgen in de voormiddag, dan zal ik zorgen, dat je dat geld uitbetaald wordt.’

Nu drongen de mensen nog meer op, want allemaal wilden ze dat gevaarlijk heerschap 'ns goed bekijken.

[p. 148]


Binnen in de herberg werd een hoera uitgebracht op de kranige Kloosterraders.

De volgende dag nam Belten de uitgeloofde som in ontvangst. Ieder kreeg zijn deel en daarna werd de reis onmiddellijk voortgezet.

In vier dagen tijd waren zij een flink eind opgeschoten. Belten was blij, dat alles zonder al te grote moeilijkheden verliep, en hij had goede hoop behouden thuis te komen.

Verschillende keren moesten zij dwars door een riviertje en dat eiste soms heel wat stuurmanskunst, nu deze door de vele regens zo gezwollen waren.

Weer kwamen zij bij een snel stromende rivier, wier vuilgrijs water woest door de bedding rolde. Belten, die dadelijk zijn paarden inhield, sprong van de wagen, liep naar de oever en keek met een bedenkelijk gezicht naar het water. Het zag er nog al gevaarlijk uit en Nand, die naast hem stond, begreep ook, dat ze hier een moeilijke overtocht kregen.

In de buurt lag een boerderij, waar Belten eens wilde informeren, of het in de gegeven omstandigheden wel mogelijk was, een overtocht te wagen.

Spoedig was Nand terug met den boer zelf. Deze vertelde, dat dit de enige doorwaadbare plaats was. Hij was van mening, dat het met zulke paarden wel zou gaan.

Kuilen waren niet in de bedding, verzekerde hij. Met een flinke vaart er door, dat was het beste.

Afgesproken werd, dat Pierre zou wachten met vertrekken, tot Belten hem van de andere kant een teken gaf.

Hierna ging ieder naar zijn eigen wagen, terwijl de boer aan de oever bleef staan en nog enige aanwijzingen gaf.

De paarden trokken aan en Belten dreef ze voort. Met een flink gangetje ging het de korte helling af. De wielen zakten diep in de modder en de paarden spanden zich in tot het uiterste. Schuimend spoelde het water tussen de vaten door. Maar de dieren hielden zich goed en zonder ook maar een seconde te haperen, trokken zij hun last op de andere oever omhoog.

Dat was prachtig gelukt. Belten reed nog een goede honderd meter verder, waar de paarden even mochten uitrusten.

De pachter liep met Nand naar de rivier terug, om, zo nodig, behulpzaam te zijn bij de overtocht van de tweede wagen.

Pierre was gereed en wachtte slechts op het teken van Belten. Baltus, die naast den koetsier zat, keek nog altijd even nors. Gedurende de hele reis had hij weinig gezegd en op alle vragen zo kort mogelijk geantwoord, zodat de anderen hem een beetje links lieten liggen en hij meestal op zijn eentje liep.

Nand had ook een paar keer geprobeerd een praatje met hem te maken, iets, waar hij gauw van afgezien had, want Baltus

[p. 149]


toonde helemaal geen belangstelling voor zijn woorden en floot gewoonlijk een deuntje tussen zijn tanden.

Belten stak zijn hand omhoog.

De zweep knalde en met een vaartje ging het naar de rivier toe. Daar plonsden de zware paarden de poten in de stroom, het voertuig volgde en schuimend spatte het water tussen de lading omhoog. Het ging goed tot ongeveer in het midden, waar plotseling de wagen aan de rechterkant enige decimeters dieper inzakte. Een vat, dat bovenop lag, rolde weg, viel in het water en was in een ommezien afgedreven. Dat was verloren. Over en weer werd er geschreeuwd en gekommandeerd van geweld. Pierre rukte aan de teugels, de paarden trokken, wat zij konden, maar zonder gevolg.

Baltus, wit van drift, greep plotseling de zweep, griste Pierre de teugels uit de hand en rukte zo hard aan de gebitten, dat de dieren de koppen omhoog wierpen en hinnikten van pijn. De

illustratie

zweep striemde hun ruggen en met een schok sprongen ze vooruit. Door die uiterste inspanning kwam er onverwachts beweging in het voertuig, waardoor Baltus zijn evenwicht verloor.

Voordat iemand hem grijpen kon, tuimelde hij naar beneden en viel tussen de stampende paardenpoten in het ijskoude water. Hij verdween onmiddellijk in de diepte. De anderen stonden sprakeloos te kijken, tot een plons hen weer tot bezinning bracht.

Nand was te water gesprongen en zwom naar de plek, waar Baltus verdwenen was.

Pierre en zijn helpers, die niet wisten, wat te beginnen, keken met grote angstogen naar het water, dat onverstoorbaar verder stroomde.

Op de oever liep Belten opgewonden heen en weer. De twee knechts, die bij den wagen gebleven waren, om op de paarden te letten, waren ook toegeschoten. Machteloos en zenuwachtig stonden ze bij elkaar en volgden gespannen de bewegingen van Nand, die met de stroom worstelde.

De jongen had de wagen bereikt en zich aan een wiel vastgrijpend, beval hij Pierre de paarden te kalmeren.

Nand dook, maar kwam weer gauw boven.

Zou Baltus afgedreven zijn? Dan was alle inspanning vergeefs geweest. Zou hij zich een eind laten meedrijven en verderop nog eens duiken? Die gedachten vlogen Nand door het hoofd.

‘Wacht, hij is tussen de paarden gevallen. Ik waag een duik

[p. 150]


zo kort mogelijk bij het paard aan deze kant,’ dacht Nand

De toeschouwers op de oevers en op de wagen zagen hem weer onder water verdwijnen. Belten, die niet wist, of Nand gedoken had, of tengevolge van kramp in de diepte verdwenen was, maakte zich uiterst ongerust. Wat moest hij beginnen, als dit laatste eens het geval was? De seconden leken wel eeuwigheden. Strak keken de mannen op het water, of zij ergens een hoofd zagen bovenkomen.

Ha, gelukkig, daar verscheen Nand aan de oppervlakte. Hij schreeuwde iets, maar niemand verstond hem.

Om even op adem te komen, greep de jongen zich met zijn linkerhand aan een voorwiel vast, terwijl hij met zijn rechter iets vasthield, dat nog onder water lag.

Pierre en de beide knechts van Belten lagen over de rand en staken de handen uit om te helpen.

Nand riep:

‘Ik heb hem, Pierre! Hou jij de paarden in bedwang, dan kan een van je helpers op de naaf van dit wiel gaan staan, om Baltus te pakken. Samen zullen wij proberen hem boven te krijgen!’

Zo gezegd, zo gedaan.

Met bovenmenselijke inspanning gelukte het den bewustelozen jongen omhoog te hijsen en op de vaten neer te leggen Een knecht trok zijn jas uit, om die onder het hoofd van Baltus te schuiven.

Nand, die bleek en rillend naast Pierre stond, nam de teugels op en wist door zijn kalmte en vastberadenheid de wagen op het droge te brengen.

Belten drukte den dapperen jongen zwijgend de hand, want hij kon geen woorden vinden om hem voor zijn moedig optreden te bedanken.

Lang praten gaf hier ook geen pas, want Nand en Baltus moesten dadelijk verzorgd worden, omdat zij anders gevaar liepen door kouvatten ernstig ziek te worden.

De bewoners van een hoeve, welke een klein eind verder het land in lag, waren te hulp gekomen en nodigden Belten uit onmiddellijk naar hun huis te komen, waar mensen en dieren behoorlijk verzorgd konden worden. Dankbaar werd dit aanbod aanvaard.

De boerin had al gezorgd, dat in het vertrek, waar ze Baltus op een bed neerlegden, een flink houtvuur brandde. In een grote leunstoel naast het ledikant zat Nand. Hij droeg kleren van den boer en was in een warme deken gehuld. De hete melk, welke de boerin Nand liet drinken, deed hem goed.

Bezorgd keek Nand naar den nog steeds bewustelozen jongen. Het leek hem, dat deze er ernstiger aan toe was, dan ze wel dachten.

[p. 151]


De drenkeling slaakte een zucht en sloeg de ogen op. Zodra hij Nand zag, gleed een flauwe glimlach over zijn wit gezicht.

Nand liet hem warme melk drinken. Steunend van pijn, zakte Baltus, die zich even opgericht had, terug op het kussen.

Enige ogenblikken later pakte hij Nand z'n hand en fluisterde:

‘Nand, jongen, heb jij me uit het water gehaald? Jij was de enige, die zwemmen kon!

‘Praat daar maar niet over. Jij bent gelukkig gered en ik hoop maar, dat je er weer gauw bovenop bent.’

‘Neen, Nand, deze keer is het mis. Ik heb een trap van 'n paard tegen mijn borst gehad. Hoe heb je me gevonden? Was ik al ver afgedreven?’

‘Goddank niet, Baltus. Je hing met je buis aan een kettinghaak vast, zodat ik je gauw te pakken had.’

‘Ik schaam me voor je, Nand. Van jou heb ik niets dan goeds ondervonden en ik heb niks onbeproefd gelaten, om je in moeilijkheden te brengen.’

‘Hoe dat dan, Baltus? Wat ik voor je gedaan heb, zou jij in dezelfde omstandigheden ook voor mij gedaan hebben. Dus dat is niets bijzonders. Jij deed wel 'n keer erg vreemd, zodat ik soms niet wist, hoe ik het had. Dan dacht ik maar altijd, dat jij onder dwang stond en niet anders handelen kon.’

‘Zwijg, Nand. Zo was het niet. Ik durf je niet te vertellen, wat ik allemaal gedaan heb.’

‘Baltus, hou je kalm en wind je niet onnodig op. Ik geloof, dat je nu alles erger maakt, dan het in werkelijkheid is. Rust nu wat, dat is beter voor je.’

‘Zwijgen kan ik niet. Luister Nand en onderbreek me niet. Het zal voor mij een hele verlichting zijn, als je alles weet. Als je weer in Kloosterrade terug bent, zul je van je vijanden geen last meer hebben, omdat zij niet meer tot de levenden behoren.’

Nu verhaalde Baltus, hoe hij Nand gehaat had, omdat oom Chris door zijn toedoen aan de galg gekomen was en hoe zijn vader hem steeds achtervolgd had om den Kromme te wreken. Ook, dat hij 's nachts de touwen van de stellage in de kerk gedeeltelijk had doorgesneden.

Met stijgende verbazing luisterde Nand naar den zieke, want nu werden hem ineens heel wat raadselachtige dingen duidelijk en kon hij zich verklaren, waardoor Ties van Bleyerheide van zijn doen en laten zo goed op de hoogte was geweest. Gemeen was het wel van Baltus, zijn kamergenoot zo te behandelen, temeer, omdat deze het steeds zo goed met hem gemeend had.

Baltus, die zich meer had ingespannen, dan goed voor hem was, lag hijgend naar het plafond te staren, terwijl tranen van berouw in zijn ogen blonken.

‘Nand!’

[p. 152]


‘Ja, wat is er, Baltus?’

‘Kun je me dat vergeven?’

‘Ik heb niet meer dan mijn plicht gedaan, Baltus. Ik kan wel begrijpen, dat het een zware slag voor je was, toen een van je familieleden zo zwaar gestraft werd. Maar daar kon ik toch niets aan doen. Kom, wat gebeurd is, daar praten wij niet meer over. Dat is vergeven en vergeten. Wees gerust, Baltus. Hier, mijn hand er op.’

Baltus omklemde met al de kracht, welke hij nog bezat, de toegestoken hand.

‘Nu ben ik gerust, jongen. Hebben jullie een geestelijke laten roepen. Voor mij zal wel geen nieuwe dag meer aanbreken.’

‘De pastoor zal zo komen. Hou je maar flink, dan kom jij er wel bovenop. Wij zullen goede vrienden blijven, Baltus, dat beloof ik je.’

De zieke verloor weer zijn bewustzijn.

Op dat ogenblik trad een geestelijke binnen, die den drenkeling het H. Oliesel toediende, terwijl alle bewoners van de hoeve neerknielden en met den priester meebaden.

Of Baltus, die weliswaar een krachtig gestel had, er nog bovenop zou komen, kon niemand met zekerheid zeggen.

Gedurende de eerste nacht, waakte de boer zelf bij den jongen en hij gaf zich alle moeite, om het den zieke zo gemakkelijk mogelijk te maken.

De volgende morgen beraadslaagde Belten lange tijd met den boer en de boerin. Zij besloten, dat Nand en Baltus op de hoeve verpleegd zouden worden, totdat beiden weer geheel hersteld waren. De Abt van Kloosterrade zou vanzelfsprekend alles vergoeden.

Met Nand zou het wel loslopen, maar voor Baltus zag het er bedenkelijk uit. De boer gaf Belten de verzekering, dat zij geen moeite zouden sparen om de jongens er weer bovenop te helpen.

De tweede dag na het ongeluk maakten de Kloosterraders zich gereed, om te vertrekken. Belten stond lang aan het ziekbed en trachtte Baltus zoveel mogelijk op te beuren.

Nadat zij afscheid genomen en de jongens goede beterschap gewenst hadden, vertrokken de mannen in de richting van 's Hertogenrade. - - -

Ruim vijf weken later was Baltus weer zover, dat hij, dank zijn krachtig gestel, mocht opstaan. Gedurende de vele dagen, welke Nand aan het ziekbed had doorgebracht, hadden de beide jongens veel samen gepraat en voor goed vriendschap gesloten.

Het had Nand, die medelijden met zijn ongelukkigen kameraad had, omdat deze nu geheel alleen op de wereld stond, heel wat moeite gekost, om Baltus te overtuigen, dat hij hem zijn

[p. 153]


slechte daden vergaf en gaarne zijn vriend wilde worden.

Het vooruitzicht een beter leven te kunnen beginnen en daarbij geholpen te worden door een vriend, als Nand, bespoedigde ook het herstel van Baltus.

Prior Fabritius kwam op bezoek en toen hij zag, dat Nand en Baltus zover waren, dat zij reizen konden, nam hij hen mee terug naar Kloosterrade.

In het klooster aangekomen, moesten beiden dadelijk bij den abt komen, die zichtbaar verheugd was, toen de jongens hem de hand drukten.


illustratie Wapen van Abt Heyendael


Nand behoefde niets te zeggen, want Belten had den abt reeds van het gebeurde op de hoogte gebracht. Om verder op te knappen kregen de jongens nog een week vrij. Nand, die naar zijn ouders mocht gaan, vroeg aan Vader Abt, of Baltus, nu hij geen thuis meer had, met hem mee mocht. De abt knikte en Baltus keek met tranen in de ogen naar zijn vriend.

‘Maar nu heb ik nog een verrassing voor je, Nand. Vanaf vandaag ben je jager van de abdij Kloostergade.’

‘Ik dank U, Vader Abt, voor deze heerlijke beloning. Ik zal steeds mijn plicht nauwgezet vervullen. Mag ik U nog een gunst vragen?’

‘Spreek, jongen.’

‘Als er weer een plaats vrijkomt bij de jagers, Vader Abt, zou U dan eens aan mijn vriend Baltus willen denken? Ik zou het prachtig vinden, als wij samen konden werken.’

Verrast keek Abt Heyendael den vrager een ogenblik aan en na enig nadenken zei hij:

‘Omdat jij het vraagt, Nand, wil ik gaarne aan dat verzoek voldoen en nog wel terstond. Nelis heeft enige weken geleden een ongeluk gehad, waardoor hij niet meer mee kan. Je vriend Baltus zal zijn plaats innemen.’

Opgetogen verlieten de jongens den abt en begaven zich, vergezeld van den prior, naar de gereedstaande koets, welke hen in ruim twintig minuten naar de hoeve ‘Zur Wentzelen’ reed.