Avonturen in het land van Rode/Zich zelf verraden

Avonturen in het land van Rode




21 Zich zelf verraden

Nand had niets van zijn aanstaand vertrek aan Baltus verteld. Toen Baltus 's avonds in het knechtenvertrek kwam, hoorde hij, dat zijn kamergenoot op reis was.

‘Waar is hij naar toe?’

‘Dat weten we niet,’ antwoordde de meesterknecht. ‘Pierre zei, dat hij den prior naar Aken moest brengen, en dat Nand Doveren met hem meeging.’

‘Wanneer komen ze dan weer terug?’ informeerde Baltus verder.

‘Óók onbekend, jongen! Waarom moet je dat zo precies weten? Ben je bang alleen op je kamertje? Ze zullen je heus niet stelen, want, als ze merken, wat ze te pakken hebben, laten ze je gauw liggen, hoor!’

Baltus werd woedend, maar zweeg.

De volgende dag trof hij Most. Wacht, die kon wel eens meer weten. Hij maakte een praatje met den steenhouwer en vroeg zo terloops, waar zijn helper naar toe was.

‘Die is naar Aken, jongen. Ik denk, naar het refugiehuis en het kan best zijn, dat hij daar een tijdje blijft.’

Baltus wist genoeg. Straks, als het werk klaar was, ging ie even naar huis. In anderhalf uur tijd kon hij weer terug zijn en niemand zou iets van zijn afwezigheid merken.

Na het avondeten verdween hij ongemerkt uit de abdij en haastte zich zo, dat hij ruim twintig minuten later bij zijn vader was. Omdat de jongen weinig tijd te verliezen had, lichtte hij zijn vader vlug in over de toestand en verzocht hem 's avonds met Peter in de kloostertuin te komen. Dat was goed. Om half tien zouden de mannen aanwezig zijn.

Baltus liep, zo vlug hij kon, terug naar het klooster en wist via de koestal weer ongemerkt binnen te komen. Men had hem blijkbaar nog niet gemist, want niemand vroeg of zei iets, dat op zijn afwezigheid duidde.

Op zijn kamertje gekomen, ging hij maar niet naar bed, maar bleef voor het raam staan en keek naar de duistere boom-kruinen op het plein voor de kerk.

Heel ver weg weerlichtte het. Één seconde lang vloog het felle licht langs de horizon en zette de wolken in een koude gloed.

Half tien!.... Zachtjes sloop Baltus de duistere trap af, de tuinpoort uit en begaf zich naar het prieeltje bij de fontein, waar vader en Peter reeds zaten te wachten.

‘Dat is eens stipt op tijd zijn, Baltus,’ bromde Peter. ‘We zijn het niet gewend van je.’

Baltus snapte die toespeling maar al te goed, maar deed,

[p. 125]


of hij 't niet hoorde. Hij schoof tussen de beide mannen op de bank en begon zachtjes te vertellen.

‘Ze hebben hem naar Aken gestuurd, naar het vluchthuis van het klooster. Daar moet hij nu te vinden zijn, tenminste dat veronderstellen ze hier. Niemand weet het precies.’

‘Wat moet hij daar doen, jongen?’

‘Dat weet ik ook niet, vader. Ik denk in huis allerlei werkjes opknappen en boodschappen doen.’

‘Als dat zo is, krijgen wij hem wel. Wij gaan naar Aken en bewaken heimelijk het huis. Verschijnt hij op straat, dan is ie er bij..... Maar zeg eens Baltus, kunnen we nu ook eens binnen kijken? Het was niet kwaad, als we wat pluimvee hadden om te verkopen op de Akense markt.’

‘Ik denk, dat het wel gaat, vader. Ik heb mijn handen vrij, nu die dwarskijker weg is. Hebben jullie zakken meegebracht?’

‘Die hebben wij altijd bij ons, want je kunt nooit weten, wat je onderweg zoal vindt.’

‘Kom, laten we gaan. We moeten de kippen vannacht ook nog plukken,’ zei Peter zich ongeduldig van zijn plaats verheffend.

‘Wacht even, Peter, niet zo gehaast. Ik moet eerst de grote waakhond in de schuur opsluiten. Hij zal jullie wel geen kwaad doen, als ik er bij ben, maar het is toch veiliger.’

Vlug verliet Baltus het priëeltje en begaf zich naar de boerderij, waar Castor dadelijk grommend op hem afkwam. Hij herkende Baltus en liet zich gewillig in de schuur brengen.

Geen vijf minuten later sloop het drietal over de hobbelige keien rond de mestfaalt naar het kippenhok.

Nadat de deur weer goed gesloten was, stak Peter de dievenlantaarn aan, waardoor de slapende dieren een beetje onrustig werden. Vader nam de jonge hanen, die in een hoek bij elkaar zaten, voor zijn rekening, terwijl Peter de beste soepkippen uitzocht.

Een grote haan vloog van de roest en veroorzaakte een hele opschudding onder de dieren.

De dieven moesten vooruit maken en hadden de zakken dan ook spoedig propvol.

Langs dezelfde weg bracht Baltus hen weer in de tuin terug, waar Peter hem nu werkelijk een daalder gaf.

Dwars door de velden liepen Ties en Peter naar huis. Een patrijs, die plotseling vlak voor hun voeten opvloog, deed hen even schrikken. In hun huisje, dat zij nog vóór middernacht bereikten, smeten zij de zakken met de spartelende kippen op de vloer. Eerst alles goed sluiten en nakijken, of er van buiten af niets te zien was. Een reet in de houten luiken stopten ze met lappen dicht.

[p. 126]


Nu konden Ties en Peter aan hun werk beginnen. Stuk voor stuk kwamen de dieren onder het mes en al gauw lag de hele tafel vol. De mannen telden acht hanen en vijf vette kippen, een vangst, die beiden tevreden stelde.

Op de vloer lag een plas bloed. Dat was niet erg, want na het plukken konden ze dat wel opvegen.

IJverig werkten beiden verder en vóór het twee uur sloeg, waren de dieren klaar voor de markt....

De volgende morgen stapten de dieven, ieder met een groot pak onder de arm, naar de stad. Een voerman, dien ze onderweg aanklampten, liet hen meerijden tot bij de stadspoort.

Op het marktplein voor het raadhuis zochten zei een goede plaats tussen de boeren, die daar reeds met boter, eieren en pluimvee stonden.

Ties spreidde een groot grijs papier uit over de grond en legde daarop de koopwaar.

Al gauw daagden koopsters op. Peter prees zijn waren aan en nauwelijks een uur later waren zij uitverkocht. De handel had een aardig centje opgebracht, zodat ze het er nu eens van konden nemen.

In de grote herberg tegenover het raadhuis stapten Ties en Peter binnen en zij zochten achter in de gelagkamer een geschikt plaatsje. Zij bestelden een stevig ontbijt, smulden naar hartelust en dronken menig glas Akens bier, want zo'n goede dag hadden de mannen lang niet meer gehad.

Goed uitgerust en in opgewekte stemming door het heerlijk maal, verlieten zij de herberg, slenterden nog eens over de markt en kwamen bij de dom, waar zij de weg naar de Elfschoorsteenstraat vroegen aan een voorbijganger, die hun in onvervalst Akens dialect uitlegde, hoe zij lopen moesten.

Na veel vragen vonden ze de gezochte straat en een jongen wees hun het huis, waar de monniken van Kloosterrade woonden. Op een afstand bleef het tweetal staan en zij bekeken de gevel. Daar moest Nand dus zijn.

‘Weet je wat, Peter, jij gaat aan de andere kant van het huis staan, dan kan dat kereltje ons niet ontsnappen.’

Peter ging. Nu was het geduldig wachten. Ze liepen steeds op en neer, anders zou het opvallen, dat ze op wacht stonden.

Een uur verstreek, zonder dat iemand uit het huis kwam. Ook de ramen bleven gesloten.

Peter werd al ongeduldig, want hij kreeg slaap van al het bier en wilde reeds naar Ties toestappen, om hem voor te stellen op een andere dag terug te komen, toen de voordeur openging en een jongen naar buiten kwam, die een boodschappenmand droeg. Was hij dat? Ties keek.... Neen, dat was Nand niet.

De jongen kwam zijn kant uit. Ties hield hem staande en vroeg:

[p. 127]


‘Zeg eens manneke, woon jij daar in dat huis?’

‘Zeg eens kerel, wat verbeeld jij je? Manneke?’

Ties moest geweldig lachen en zei tegen Peter, die er inmiddels ook bij gekomen was:

‘Nu kijk toch eens aan, Peter, dat jong is beledigd, omdat ik manneke tegen hem zei.’

En tot Johan, want die was het, zei hij geruststellend:

‘Zo was het niet bedoeld, jongen. Maar zeg, woon jij daar?’

‘Waarom wil je dat weten? Ik ken je niet. Wie ben je?

‘Je kunt ons gerust vertrouwen. We moeten een boodschap brengen aan een bewoner van het huis.’

‘Man, als je daar iemand spreken moet, klim de trappen op, bel en dan zul je wel terecht komen.’

Ties en Peter keken dat kordate kereltje eens aan. Nou, die was niet op de mond gevallen. Zij wilden echter weten, of Nand er was.

‘Is bij jullie in dat huis ook een zekere Nand Doveren?’

‘Neen, man, die is er niet!’

‘Is hij er dan geweest?’

‘Dat wel en als je hem spreken wilt, moet je hard lopen, anders haal je hem nooit in.’

‘Dus reeds vertrokken? Waarheen?’

‘Mens, je wil alles weten. Maar kom, je ziet er zo vriendelijk uit en daarom zal ik het je vertellen. Hij is vertrokken en waarheen? O, heel eenvoudig, de stadspoort uit.’

‘Lummel, hou ons niet voor de gek,’ bromde Peter.

‘Maak je niet dik, man, ik hou jullie niet voor de gek. Maar zeg, ik heb nu geen tijd meer. Het beste er mee, hoor, en als jullie Nand zien, doe hem de groeten van Johan uit Aken. Dat zal hem veel plezier doen.’

Johan liet de verblufte kerels staan. Deze scholden en vloekten, dat zo'n aap hen durfde te brutaliseren.

Was Nand nu werkelijk vertrokken, of had de jongen hun maar wat wijs gemaakt? Zij besloten in godsnaam maar weg te gaan.

Aan het eind van de straat ontmoetten zij een Koorheer, die naar het refugiehuis ging. Zij stapten naar hem toe en vroegen naar Nand Doveren, voor wien zij een boodschap hadden. Van den geestelijke hoorden zij, dat de gezochte voor enige maanden naar de Ahr was.

Het middaguur was reeds lang verstreken, toen de mannen er over dachten naar huis te gaan. Het was twee uur lopen en Ties hoopte maar, dat ze weer een boer aantroffen, die hen meenam. Peter voelde er ook niet veel voor de hele weg te voet af te leggen.

Door de Pontpoort verlieten Ties en Peter, een beetje onzeker

[p. 128]


over de weg lopend, de rijksstad. Achter hen kwam een boerenkar met een witte huif.

‘Zeg, Peter, we klampen den koetsier aan. Onder dat doek is het best uit te houden.’

Ze gingen midden op de weg staan.

De man op de bok greep zijn zweep, want hij vertrouwde dat zaakje niet erg. Wat wilden die kerels? Hij hield zijn paard in.

‘Hé, voerman, goed volk! Mogen wij een eindje mee? Het is zo warm om te lopen. Je krijgt van ieder een schilling, als je het doet!’ sprak Ties.

‘Als je niks kwaads in de zin hebt, vooruit dan. Waar moeten jullie naar toe?

“Naar Bleyerheide, voerman. Als we maar een klein eindje mee kunnen, dat is al heel wat in deze hitte.”

“Stapt op! Ik moet naar Merkstein. Dus dat tref je. Kruip maar achter in de bak, daar kun je gemakkelijk zitten.”

Ties en Peter, die in een wip op de kar geklauterd waren, strekten zich behaaglijk uit in de lege wagen. Werkelijk, een reuzendag was het.

Het paard ging rustig zijn gang en de voerman dommelde een beetje, totdat Peter hem vroeg, of hij ook naar de markt geweest was.

“Neen man, ik heb vanmorgen enige zakken graan naar de stad gebracht.”

“Brengt het koren tegenwoordig nog al wat op?”

Ja, de prijs is goed, maar ik heb nog niets gebeurd, want de volgende week moet ik nog een vracht brengen en dan rekenen we pas af.’

Ties gaf een knipoogje aan Peter.

De voerman kon het gesprek niet meer voortzetten, omdat hij op het paard moest letten, want uit de tegenovergestelde richting kwamen enige rijtuigen.

Nadat die gepasseerd waren, hielden Ties en Peter zich slapende, maar piekerden er intussen over, op welke wijze zij dien sukkel de volgende week van zijn geld konden beroven. Van tijd tot tijd keken zij elkaar 'ns aan en loerden naar wat de voerman deed. Deze sliep. Daarom begonnen ze zachtjes een gesprek.

‘Hoe lang denk je, dat die Nand weg blijft, Ties?’

‘Ik weet het niet. Dat moet Baltus maar eens uitvissen. In elk geval, dat zeg ik je, Peter, aan Ties van Bleyerheide ontsnapt hij niet.’

De voerman, die heimelijk luisterde naar het gesprek, kreeg een schok, toen hij die naam hoorde.

Ties van Bleyerheide? Wacht eens, waar had hij die naam ook weer gehoord? O, ja, de vorige dag nog. Zijn broer, de schout

[p. 129]


van Kerkrade, had het er over, dat die kerel onvindbaar was. Hij sprak ook van een zekeren Nand, die door dien schurk overvallen was. Dus zo'n schoelje zat achter hem in de wagen. Wacht, baas, nu hoefde de schout niet lang meer te zoeken. Hij zou die vagebonden zelf thuis brengen, dan wist ie meteen, waar zij woonden.

Kohlscheid waren ze voorbij en bij Pannesheide vroeg de voerman:

‘Waar wonen jullie? Dan breng ik je meteen even thuis. Voor mij betekent dat niets en voor jullie is het misschien prettig’.

‘O ja, graag man,’ antwoordde Peter. ‘Wacht, ik kom bij je zitten, dan wijs ik je de weg.’

Een kwartier later stonden zij voor het huis in Klein-Nulland.

Ties nodigde den man uit binnen te komen om een glaasje te drinken, waarvoor deze echter bedankte. Hij nam afscheid en zei:

‘Als jullie weer in de stad komen, wacht maar op mij.’

‘Wij komen er zowat elke dag. Wanneer kom jij weer en hoe laat vertrek je dan, anders konden we wel eens lang en bovendien vergeefs wachten.’

‘De volgende week Donderdag en tegen dezelfde tijd. Dus om twee uur bij de Pontpoort.’

‘Best, voerman. Tot ziens dan en wel bedankt voor je vriendelijkheid!’

Ties en Peter keken den man, die de volgende week zeker niet zo vrolijk fluitend naar huis zou rijden, grinnekend na.

‘Vooruit, Peter, we gaan wat eten en een uurtje rusten. Dan wandelen we straks nog even naar Baltus.’

‘Waarom dat, Ties?’

‘Kijk eens, “kompel”, ik had zo gedacht. Die Donderdag moet een goeie voor ons zijn en daarom is het nodig, dat we van te voren nog eens een nachtelijk bezoek aan het klooster brengen.’

‘Wat wil je er halen?’

‘Ik heb wel eens in de provisiekelder gekeken, als ik bij Baltus was, en in die ruimte zijn heel wat levensmiddelen, vooral boter en kaas, opgeborgen. Je hebt vanmorgen in Aken wel gezien, dat die artikelen een aardige winst opleveren.’

Peter vond het goed en tegen de avond wandelden beiden op hun gemak naar Kloosterrade, onderweg hier en daar een praatje makend met enkele bekenden. In de buurt van de abdij was nog een knecht op het land bezig. Ze stapten naar hem toe en vroegen, of hij nog lang werk had.

Neen, hij was zo klaar.

‘Wil je aan Baltus vragen, of hij even bij zijn vader wil komen?’

[p. 130]


‘Ja, dat is goed. Wacht maar even.’

Een kar, die een eind van hen verwijderd snel over de weg reed, trok de aandacht van de mannen. Zij herkenden den voerman.

‘Waar zou die de hele middag geweest zijn? Hij moest toch al lang in Merkstein zijn, is 't niet, Peter?’

‘Ja, dat snap ik ook niet.’

‘Die wagen zag ik zo straks voor het huis van den schout staan,’ mengde de knecht zich in het gesprek.

‘Was jij dan in Kerkrade?’

‘Ja, ik was bij schepen Kerkhofs, om een zakje klaverzaad te brengen.’

Ties en Peter keken elkaar aan. Wat had die vent bij den schout te doen? Allicht, dat hij van zijn reis naar Aken verteld had.

‘Vanmorgen was de schout ook in de abdij,’ ging de knecht verder.

‘Wat zocht hij dan bij de monniken?’ vroegen Ties en Peter tegelijk.

‘In de afgelopen nacht hebben dieven een bezoek aan ons kippenhok gebracht en meer dan een dozijn dieren gestolen. Hoe zij binnengekomen zijn, snapt niemand.’

‘En heeft de schout geen spoor van de daders kunnen ontdekken?’ vroeg Peter met een knipoogje naar Ties.

‘Neen, niets. 't Is gewoon een raadsel.’

‘Onbegrijpelijk. Ik meen toch wel eens 'n waakhond gezien te hebben. Was die er niet?’

‘Of die er was, maar dat is nu het geheimzinnigste aan het geval. De hond zat opgesloten in de schuur en wij weten zeker, dat ie over het erf rondliep, toen wij naar bed gingen. Hoe ze dat klaar gespeeld hebben, is gewoonweg niet te begrijpen.’

De twee rabauwen moesten hard lachen. Dat was een goeie mop, vonden ze.

Intussen was de knecht klaar gekomen met schoffelen en nu kuierde het drietal, druk pratend over de diefstal, naar het klooster.

Baltus, die spoedig present was, kreeg een pluimpje van vader en Peter. Zij spraken af, dat zij in de nacht van Woensdag op Donderdag weer kwamen om boter en kaas te stelen. Baltus moest alles goed voorbereiden. Zij beloofden hem een flinke beloning, als hij zorgde, dat het plan lukte, waar de jongen natuurlijk voor instond, omdat die Doveren hem niet meer in de weg was. Baltus vroeg, of ze wat van hem gehoord hadden.

‘Ja, jongen, maar we moeten geduld hebben. Hij is naar de Ahr. Waar dat is, weet ik niet. Naar men ons vertelde, zou hij daar een tijdje blijven.

[p. 131]


‘Zoveel te beter, vader. We kunnen nu tenminste ongestoord onze gang gaan. Aan de wraak ontkomt hij toch niet, want oom Chris vergeten wij nooit!’

‘Neen, Baltus, dat doen we ook niet. O, ja, ik zou het haast vergeten. Je moet niet naar huis komen, als je vrij hebt, omdat wij een tijdje afwezig zullen zijn. De volgende week Woensdag vind je ons in het priëeltje. Dag, jongen! Goed uitkijken, hoor!’

Baltus keek vader en Peter, die de weg naar 's Hertogenrade insloegen, nog een tijdje na.

Daarna draaide hij zich om en ging al vast een kijkje nemen bij de ingang van de provisiekelder, waarvan de deur wijd open stond. Beneden zag hij een broeder bezig met de vaten en hij vroeg, of ie 'n handje helpen kon, welk aanbod met plezier aanvaard werd. Zo kreeg Baltus een goede gelegenheid om de situatie eens goed op te nemen.

Baltus had al gauw in de gaten, dat men van buitenaf niet in de kelder kon komen, omdat de deur met twee zware schuiven gesloten werd.

Waar die binnendeur uitkwam, was hem onbekend. Hij wist het zo in te pikken, dat hij langs die kant de kelder kon verlaten. Hij belandde in een smal gangetje, dat hij reeds vaak gezien had, zonder te weten, waar het naar toe leidde.

Ziezo, voorlopig wist Baltus voldoende. De volgende dagen had hij nog tijd genoeg om de inbraak verder voor te bereiden.