Steenkool

(Doorverwezen vanaf Concessie)


Kijk voor het blad op Steenkool (blad)

Deze grondstof heeft in het Kerkraadse heel wat teweeg gebracht. Vandaar dat er op deze plek geruime aandacht aan wordt besteed. Deze aandacht wordt (voor de overzichtelijkheid) gepresenteerd in een aantal onderdelen. Deze zijn in volgorde van behandeling:

Grondstof

Steenkool is een gesteente dat voornamelijk is opgebouwd uit verrot en ingekoold plantenmateriaal en is afgezet in zoetwatermoerassen. Omdat de planten waaruit steenkool ontstaat, groeien op de plaats waar later de steenkool gevonden is, is het mogelijk complete planten in de steenkoollagen aan te treffen. Goed herkenbare resten vindt men alleen in het nevengesteente, bijvoorbeeld in leisteen. In de steenkool zelf zijn zij vergaan en zijn alleen nog sporen herkenbaar.

Geschiedenis

De eerste steenkool wordt door de Germanen gebruikt in Stein en later door de Romeinen bij de Strijthagerbeek. Van de steenkoolresten die gevonden zijn in Stein (in een in 1925 opgegraven Germaanse Burcht), is de oorsprong niet te achterhalen. Deze kool is afkomstig uit Luik of uit het Wormdal en daarna in Stein gebruikt.

Concessies

Steenkoolconcessies.19e.eeuw-small.jpg

Wanneer iemand in de 18e en 19e Eeuw de behoefte krijgt in de grond te wroeten naar steenkool, dient hij of zij een steenkoolconcessie aan te vragen bij de overheid of (daarvoor) bij de eigenaar van de grond. Van een aantal van die concessies wordt hierna een aantal gegevens verstrekt.

Ackens
Op 24 september 1800, wordt de aanvraag voor een concessie gepubliceerd. De aanvraag wordt gedaan door de heren Ackens, Ackens, Dautzenberg en Van Wersch. Een uitslag is (vooralsnog) niet bekend.
Bleijerheide
Deze wordt op 1 januari 1801 door Sophie de Roy (andere bronnen vermelden haar zus, Caroline de Roy) en Dumont, Jean aangevraagd. Sophie en haar zussen hebben een groot aandeel in deze concessie. Zij wordt op 2 februari 1808 verleend. Van 1818 tot 1822 wordt dit kolenveld geëxploiteerd. Door wateroverlast en geldgebrek wordt de mijn gedwongen de poorten te sluiten. In 1847 neemt de Pannesheider Bergwerksverein de exploitatie over. De concessies Bleijerheide en Neu Prick worden op last van koning Willem III in 1883 samengevoegd tot Neu Prick.
Ernst
De concessie wordt later hernoemd in Wilhelmina.
Laura
Deze wordt verleend in 1876.
Neu prick
Deze wordt op 1 januari 1801 door de heren Vinken, Loef en Griefhuis aangevraagd. De concessie wordt verleend op 2 februari 1808. Op een vooralsnog onbekende datum gaat de concessie over in handen van de Pannesheider Bergwerksverein. Hier wordt in 1883 concessie Bleijerheide aan toegevoegd op last van Koning Willem III. Gedetailleerde informatie staat op de pagina Neu Prick.
Pannesheide
Nadere informatie volgt.
Willem
Op 26 januari 1860 wordt de concessie verleend aan Nederlandse Bergwerkvereniging voor de ontginning onder Spekholzerheide. De concessie gaat later door het leven onder de naam Willem III. De vereniging krijgt op 8 februari 1861 de concessie Sophia.
Naamloos
Aan het begin van de twintigste eeuw worden er in de gehele mijnstreek veel concessie-aanvragen gedaan die later nooit tot ontginning hebben geleid. Deze dragen merkwaardigerwijs meestal geen voornaam als doopnaam. Veel van deze concessies zijn later opgegaan in de Staatsmijnen. Geen enkele van deze concessies ligt in Kerkrade.

Producten

Met steenkool als grondstof kan er een aantal producten gerealiseerd worden. Enkele voorbeelden daarvan zijn:

Cokes

Een randproduct van de steenkoolproductie is Cokes. Op de steenkool worden een aantal bewerkingen losgelaten vanwaaruit de Cokes gevormd wordt. De kwaliteitseisen voor industrie- en huishoudelijke consumptie zijn hoog.

Productieproces
De grondstofsamenstelling (Steenkoolmengsel) moet aan een aantal eisen voldoen voor wat betreft het gasgehalte, het bakkend vermogen, het as- en vochtgehalte en de korrelgrootte. Allereerst worden de verschillende soorten kolen opgeslagen in grote bunkers. Vandaaruit wordt de juiste hoeveelheid van elk soort vervoerd naar het breek- en menggebouw, waar ze gemalen worden. Dit mengsel gaat dan via de kolentorens naar de ovens. 18 Uur lang wordt het mengsel daar luchtdicht verwarmd op een temperatuur van 1000 tot 1100 graden celcius. Dit noemt men carbonisatie. De kolen worden in de blustorens met sproeiers geblust. Op de blushelling is nablussen mogelijk. Tenslotte worden zij nog gesorteerd op grootte waarna ze de febriek verlaten.
Randproducten
Tijdens het productieproces kan benzol en teer gewonnen worden. Teer kan dan nog eens gesplitst worden in naphtaline (voor de fabricage van motteballen), anthraceen, etc.
Eier- en industriebriketten worden gevormd door vrijkomend koolteer te mengen met fijnkool van de magerkolen (esskolen) en dan te persen tot briketten. Andere randproducten zijn: vruchtboomcarbolineum, creosootolie (om hout weerbestendig te maken), pek, benzol (brandstof voor auto- en vliegtuigmotoren) en toluol (oplosmiddelen en grondstoffen voor andere bedrijven), zwavelzure ammoniak (kunstmest), geel bloedloogzout (verfbereiding), zwavel, enz.

Productiecijfers

Jaar Domaniale Mijn Willem-Sophia Laura Julia Wilhelmina
1860 23.623
1936 843.285 434.00 666.600 577.800 1.314.008
1937 901.511 503.000 790.800 758.100 1.438.216
1938 820.173 500.000 771.000 713.600 1.429.957
1939 786.400 471.000 741.400 669.300 1.387.369
1940 763.960 468.500 632.600 667.600 1.252.211
1941 772.332 495.500 705.100 658.400 1.481.173
1942 715.158 473.029 668.900 679.500 1.410.357
1943 428.903 315.500 636.300 654.200 1.390.030
1944 428.903 315.500 396.600 392.600 998.394
1945 317.552 185.000 216.600 216.300 762.021
totaal 6.471.800 4.161.029 6.225.900 5.987.100 12.533.736
totaal 37.990.000 22.678.000 31.885.000 31.963.000 39.235.000

Productieproces

Hieronder: alle technische zaken die met het proces te maken hebben: hoe de steenkool bovengronds komt en verwerkt wordt; ook complicaties die hierbij optreden, zoals bijvoorbeeld grondwater, temperatuursverhoging en mijngas.

Nadat de steenkool uit de wand is verwijderd, dient de overgebleven ruimte opgevuld te worden om verzakkingen in de bodem te vookomen. Dit proces wordt blazen genoemd.

Energievoorziening

Met uitzondering van de Willem-Sophia heeft iedere mijn een eigen elektriciteitscentrale, waar voor de produktie van elektriciteit gebruik wordt gemaakt van stoom. Deze stroom wordt dan naar een transformator geleid door de schacht ondergronds gevoerd. Kleinere transformatoren staan daar gereed om de spanning verder te reduceren. Van hieruit wordt de apparatuur in de pijlers aangesloten. Bij een overschot aan stroom wordt deze doorverkocht aan een afnemer extern. Behalve het gebruik van electriciteit wordt zowel boven- als ondergronds veelvuldig gebruik gemaakt van dieselolie en perslucht.

Dagbouw

Dit is een methode van steenkool- of bruinkoolwinning waarbij, om aan de delfstof te komen, de deklaag van het terrein wordt afgegraven. Deze methode wordt voornamelijk in de eerste periode van de steenkoolwinning gebruikt en tijdens de gehele bruinkoolperiode.


Ondergrondse delving

Ook is er de ondergrondse winning van steenkool. Hierbij worden 1 of meerdere schachten gemaakt vertikaal de grond in gaan. Vanuit een schacht gaan horizontale galerijen naar de kolenader. Op het moment dat men op een kolenader stuit wordt er onder een bepaalde hoek een gang gegraven door de kolenader heen. In de begintijd van de kolenwinning zijn deze gangen zo breed en zo hoog als de gesteldheid van de laag het toelaat. Later laat men pilaren van steenkool staan om de gangen te stutten. Nog later gaat men er toe over de gehele gang te stutten. Voornamelijk omdat men de mogelijkheid heeft de schachten af te diepen waardoor de bovengrondse druk op de gangen groter wordt.

Mijngas
Mijngas blijkt ten tijde van de Mijnbouw een uitstekende energiebron te zijn. Een kubieke meter mijngas-luchtmengsel in een verhouding van 50-50 geeft bij verbranding ongeveer evenveel warmte als een kubieke meter cokesovengas. Aangezien dit mengsel echter niet geschikt is voor huishoudelijk gebruik (alle huishoudens zouden dan nieuwe branders moeten aanschaffen), wordt het toegepast in slikdrogers, elektrische centrales, in cokesfabrieken (men kan nu het cokesovengas voor verkoop beschikbaar stellen i.p.v. het te gebruiken voor de verwarming van de eigen ovens), etc.
Mijngas bevindt zich enkel in de kolenlagen. Zolang deze met rust gelaten worden, komt het gas er niet uit. Het komt pas vrij op het moment dat de kool breekt of barst en dit gebeurt uitsluitend bij de winning, waardoor de hoogste concentraties juist daar aanwezig zijn, waar mensen aan het werk zijn. Bovendien ontstaan er door de winning scheuren en barsten in de dieper en hoger gelegen kolenlagen, waardoor het gas uit deze lagen vaak ook terecht komt op de plaats van afbouw. Hoe dieper men afdaalt in de aardbodem, hoe groter de hoeveelheid mijngas wordt. In 1950 wordt bij de Staatsmijnen besloten proeven te nemen om mijngas in hoge concentraties af te zuigen en in Maart 1952 wordt de eerste proefinstallatie bovengronds in bedrijf genomen. Hierbij worden nabij het winningsfront gaten geboord in het dak- en vloergesteente, waarop buisleidingen worden aangesloten die door de bovengronds opgestelde pompen op onderdruk worden gehouden. Naast de pompen ontstaat een installatie om de hoeveelheid en de kwaliteit van het gas te meten. De afzuigmethode wordt verder ontwikkeld en de toepassing van afgezogen gas belangrijk uitgebreid.
In vroeger tijden gebeurt het opsporen van mijngas door middel van een Boeteling.
Steengalerij
Dit zijn gangen, die ietwat omhoog hellend horizontaal het veld in worden gedreven, ongeveer evenwijdig verlopend aan de kolenlagen zonder deze echter te doorkruisen. De steengalerijen worden op verschillende verdiepingen en in verschillende richtingen in de steenlagen aangebracht. De lichte helling is noodzakelijk om het latere transport van de geladen kolenwagens naar de schacht te vergemakkelijken. Verder wordt direct aan de schacht de laadplaats aangelegd, waar de volle kolenwagens in de liftkooi worden geduwd, terwijl de lege wagens hier de mijn in kunnen.
Smoordeuren
Deze ondergrondse deuren in een mijngang blokkeren de luchtstroom tussen de in- en uittrekkende luchtschacht niet, maar laten slechts een deel van de luchtstroom door. Het andere deel wordt gedwongen een andere route te kiezen.
Steenkoolvergassing
Het vergassen is het omzetten van steenkool in gassen die vervolgens in brandbare vloeistoffen kunnen worden omgezet. Gassen en vloeistoffen zijn veel gemakkelijker te verwerken dan de vaste steenkool. Bovendien kan de luchtverontreiniging die zou optreden bij het op grote schaal verbranden van steenkool vermeden worden. Men hoopt de steenkoolvergassing ondergronds te kunnen laten verlopen, waardoor ook het moeizame delven zou komen te vervallen. Als basis van de steenkoolvergassing gebruikt men een watergasreactie. Beide processen verlopen alleen bij hoge temperatuur en onttrekken warmte aan de omgeving. Het op temperatuur brengen en houden van de steenkoollagen vormt dan ook een groot probleem.

Bovengrondse afwerking

Zeverij
Wanneer het geolven steenkool aan de oppervlakte komt worden de brokken op een "leesband" ontdaan van de grootste stenen. In de zeverij worden zij in verschillende groottes gebroken en gezeefd. De grootte van de brokken hierna worden Nootjes 1, Nootjes 2 of Nootjes 3 genoemd. Zij gaan verder naar de Wasserij.
Wasserij
Tijdens dit productieproces worden de steenkoolbrokken ontdaan van allerlei vervuilende zaken als bijvoorbeeld kleine stenen.
Nadere informatie over dit deel van het procutieproces volgt.

Sociale Aspecten

In dit onderdeel wordt de positie van het personeel verder belicht. Zo wordt onder andere het verband gelegd tussen het personeel aan de ene kant en de organisatie, de religie, de gezondheid, Legendes en financieën aan de andere kant.

Mijnwerkers

Op het hoogtepunt van de mijnindustrie, de jaren vijftig van de 20e Eeuw, zijn in Nederland voornamelijk in het zuiden, 58.000 mijnwerkers actief.

In 1910 worden 46 mijnwerkerswoningen gebouwd op de Hopel door Laura & Vereeniging. Ze worden met name gebruikt voor de buitenlandse werknemers uit Duitsland, Italië, Polen en het voormalig Joegoslavië. Tijdens Wereld Oorlog I doet een deel van de woningen dienst als interneringskamp voor gedeserteerde Belgische militairen. De huizen vallen vanaf 1980 tot heden onder de monumentenzorg.

Het onststaan

Over de ontdekking van steenkool doen verscheidene legendes de ronde. In het Wormdal stoten varkenshoeders bij toeval op een steenkoolader; in Vlaanderen wordt verteld dat het Jezus is die een smid de plaats aanwijst waar hij het beste stookmateriaal voor zijn smidse kan vinden. In Henegouwen is het God zelf die een smid op de vindplaats wijst en in de gebieden rond de Rijn wordt die rol overgenomen door de duivel. In het Luikse land wordt het verhaal verteld van de smid Hullos (houilles, Fr.=steenkool), die een ontmoeting heeft met drie dwergen. Deze stoken hun vuur niet met hout, maar met brokken zwarte aarde. Hullos is enthousiast over de warme gloed van het vuur en vraagt de dwergen waar hij deze aarde kan vinden, opdat hij die kan gebruiken in zijn werkplaats. De dwergen nemen hem mee naar een onderaardse gang, waar andere dwergen bezig zijn de vreemde brandstof uit een wand te slaan. Na terugkomst in zijn dorp blijkt Hullos honderd jaar weg te zijn geweest. De smid maakt geen geheim van zijn ontdekking en zo gebruikt men steenkool al spoedig in het hele Luikse land.

De Organisatie

Hier wordt verklaard hoe de steenkoolmijnen georganiseerd zijn. Hieronder vallen aspecten als de concurentie van andere steenkoolmijnen en van andere energiebronnen, de verschillende steenkoolconcessies. Ook wordt hier de invloed van Wereldoorlog II op de steenkoolmijnen toegelicht.

Rendabel

Na de oorlog is de kolenproduktie zo gering, dat import vanuit de Verenigde Staten onvermijdelijk is. De hogere kosten van deze steenkool worden voor een deel betaald door een hiertoe ingesteld Egalisatiefonds. Daarnaast wordt in 1952 een stimuleringsplan gestart. De plan houdt in dat er meer mijnwerkers ondergronds tewerkgesteld moeten worden. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van gastarbeiders. Een verbeterde huisvesting en woningbouw is dan noodzakelijk. Dit wordt eveneens voor een deel betaald uit het Egalisatiefonds.

De onderneming

De eerste Limburgse mijnen worden gesticht door Duitse en Belgische ondernemers. De Steenkolen Handelsvereniging onderneemt in het begin pogingen om de ontwikkeling van zelfstandige ondernemingen tegen te gaan om haar eigen import van steenkool veilig te stellen. Rond 1930 wordt de steenkool-groothandel beheerst door zes organisaties: Staatsmijnen, particuliere mijnen en de importeurs: de S.H.V., firma van Bergh en van Citteren, het Verkoopkantoor van de Eschweiler Bergwerksverein en de N.V. Handels- en Transportmaatschappij Vulcaan. Deze organisaties vormen een conventie met bijna dictatoriale macht en stellen de prijzen zelf vast. Ook kan de conventie zonder inmenging van de regering afnemers aannemen of buiten sluiten.

Na-oorlogse Periode

Na de Tweede Wereldoorlog begint de periode van wederopbouw. De extra-inzet van de mijnwerkers om tegemoet te komen aan de energiebehoefte van de rest van Nederland wordt onder andere beloond met een gedicht van Jan van Amsterdam: Jouw kolen. In 1952 wordt het na-oorlogse hoogtepunt bereikt met productie van 12,5 miljoen ton per jaar. Het verbruik van steenkool in de Nederlandse gezinnen daalt van 76 % naar 38 % in 1964. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de steenkoolindustrie verregaand geautomatiseerd. Na 1950 gaat men massaal over op schaafbakken, schaafploegen en kettingtransporteurs.

Mijnregelement

Dit regelement wordt op 1 maart 1600 afgekondigd door de Rijksstad Aken. Hierin staan bepalingen over het werken in de mijn. Zo wordt bepaald dat iedere kolenmijn een eigen afzonderlijke galerij moet hebben voor de waterafvoer. Immers, hoe dieper men de grond in gaat, hoe lastiger het wordt om het grondwater weg te houden.

Op 28 februari 1668 wordt door de Staten-Generaal waarschijnlijk Nederlands oudste Mijnreglement uitgevaardigd. Hierin wordt onder andere bepaald:

  • Wanneer de eigenaar van de bovengrond vermoedt dat onder zijn grond naar kolen wordt gedolven, kan hij een door de overheid beëedigde mijnmeter verzoeken een meting te verrichten
  • Degenen die het recht verkrijgen tot delving van steenkool betalen een schadevergoeding aan de eigenaar van de bovengrond: per acht korven kool moet er een worden afgestaan.
  • Voor kolenvervoer mogen, ook over andermans grond, wegen worden aangelegd. Hiervoor moet een vergoeding worden betaald, afhankelijk van de aard van de aangerichte schade.
  • Alle mijnen, installaties en waterwerken staan formeel onder bescherming van de overheid. Dit houdt in, dat op beschadiging van installaties of waterwerken de doodstraf staat.
  • Op de kolen, onder wegen gedolven, wordt een belasting geheven van de achtste en vijftiende penning.
  • Voor het recht van waterlozing naar rivieren op staatsgebied eist men een vergoeding van de vijftiende korf kolen.
  • Overtredingen worden bestraft met een boete van honderd pattacons (Fl.300,- is €13,614).