Heerlijkheid (functies)

(Doorverwezen vanaf Leenheer)

Deze pagina is een verzamelplek voor functiebenamingen die in de tijd van de heerlijkheden gebezigd worden.

Drost en schepenen vormen de schepenbank die meestal uit zeven personen wordt gevormd. Aan dit college zijn meestal toegevoegd: een secretaris, een gerechtsbode en enkele helpers, rakkers genaamd. De rakkers assisteren bij arrestaties en het uitvoeren van vonnissen. Soms wordt hierbij een beroep gedaan op de leden van schutterij St. Sebastianus. Aan het hoofd van de schepenbank staat de Schout.

Horigen

De Horige of Laat bewerkt in de Middeleeuwen grond van de Leenheer (zoals bijvoorbeeld abdij Kloosterrade) voor eigen gebruik. Hij betaalt de Leenheer hiervoor meestal in natura. Bij een geschil tussen de Leenheer en de Horige, wordt in het Laathof recht gesproken. In tegenstelling tot lijfeigenen kunnen Horigen wel bezit hebben en overerven; ze blijven echter verplicht een deel van hun opbrengst aan hun Leenheer af te staan, en ook om voor deze herendiensten te verrichten. Ze zijn bovendien aan de door hen bewerkte grond verbonden, ze kunnen dus niet verhuizen, zonder de toestemming van hun heer.

De latijnse benaming voor deze personen is mancipia, servi of servientes. Wanneer zij diensten aan het hof van de heer gaan verrichten worden zij ministri genoemd en later ministerialen.

koning

landsheer

Laten

Dit is een alternatieve benaming voor een Horige

leenheer

Een leenheer wordt aangesteld door een koning en regelt in diens naam de dagelijkse gang van zaken in een heerlijkheid.

leenman

Een leenman behoort tot de hogere adel en is verplicht tot gewapende dienst. Delen van hun inkomsten en bezit kunnen zij aan anderen in leen geven wat hun tot een leenheer maakt[1]. Daarnaast is hij deelnemer aan een Laathof

ministerialen

Deze zogenaamde "onvrijen", hebben zich bij hun adelijke heren verdienstelijk gemaakt en krijgen daarvoor "dienstleken" waarop het recht van erfelijke overname ligt. In de 12e Eeuw is de levensstandaard van deze ministerialen op het niveau van de ridderklasse. Overgave van het bezit van Heer naar ministeriaal vindt plaats voor het altaar in aanwezigheid van beiden en veelal in het bijzijn van getuigen.

paltsgraaf

In de 18e Eeuw wordt in de grotere steden een hoge beambte aangesteld die de plaats van de keizer waarneemt. Deze persoon bekleedt de functie van Paltsgraaf.

rotmeester

Hij wordt benoemd en beëdigd door de schepenen en heeft de zorg over brandbestrijding, vreemdelingencontrole, het organiseren van nachtwachten en gevangenisbewaring. Een rotte omvat (rond 1795) meerdere woonkernen.

schepen

In verschillende Heerlijkheden zijn dit juridische en later bestuurlijke ambtenaren. In Kerkrade wordt die term ook gebezigd. Sinds de Karolingische tijd zijn dit door de vorst of heer van de Heerlijkheid benoemde vonniswijzers als vertegenwoordigers van de bevolking. De meestal uit zeven personen bestaande schepenbank staat onder voorzitterschap van een schout. Na de opkomst van de steden zijn zij tevens belast met bestuurlijke zaken. In België is het nog steeds de naam voor leden van het college van Burgemeester en Schepenen.

In Kerkrade

Tussen 1770 - 1778[2]

  • Frans Willem Grieffgens (Schout)
  • Poyck / Daelen (Griffier)
  • Mathijs Werden, Mathijs Koulen, Jan P. Ackers, Peter Spierts, Mathijs Voncken (Schepenen)

schout

Dit is een vroegere benaming voor degene die zorg draagt voor de lokale wereldlijke wetgeving. Hij spreekt de vonnissen uit die in de regel door de schepenen bepaald worden. Zie verder bij Schout.

vazal

vrijgeborene

Deze persoon kan vrijelijk over zijn eigendommen beschikken en ze naar wens aan anderen overdragen.

verder

Referenties

Indien de bron van (delen van) bovenstaande informatie bekend is, is dit hier beneden vermeld.