Legendes

Verschillende legendes en andere volksverhalen zijn hier verzameld.

Ailbertus en Rolduc

Te Doornik woonde de geleerde scholaster Ailbertus van Antoing. Op zekere dag, toen hij in het gebed verzonken was, zag hij plots voor zich een prachtig oord. Een heuveltop met hoge eiken begroeid en twee beken, die zich slingerden door een dal. Tegelijkertijd hoorde hij een stem, die hem zei, Ga naar de plaats die Ik u heb getoond en wijd ze mij toe!

Ailbertus nam de pelqrimsstaf en vergezeld van zijn broeders Thyemo en Walger, trok hij naar Tongerenland, voorbij Maastricht tot hij eindelijk in het Wormdal bij de burcht van de Saphenberchs de plek herkende, die hem in het visioen was getoond. En terwijl hij neerknielde om God te danken voor het gelukkige bereiken van zijn reisdoel, hoorde hij en ook zijn broeders van onder de aarde een veelvuldig gerinkel van schellen en een geheimzinnig klokkengeluid van zulk een hemelse klank, dat hij het begreep als een nieuwe aanduiding van God.

De uitverkoren plek was echter ook reeds aan de bewoners uit de omtrek bekend, zij hielden haar voor heilig. Omdat zij daar meermalen hemelse verschijningen hadden gezien en lieflijke melodieën, als van hemelse geesten gespeeld en gezongen, hadden gehoord.

De vuurwagen van het Langerfeld

Kooplieden met eieren en groenten, die met hun kar 's nachts naar Aken reden en het beruchte en eenzame Langerfeld of Lange Veld tussen Horbach en het (dan) Heerlense gehucht Drievogels passeerden, hebben daar vaak een vurige wagen ontmoet, die er in volle vaart over het veld reed.

Catharinastenen

Midden in de Anselderbeek, dicht bij Oud Erenstein, ligt een geweldige grote steen[1]. In het verleden is er meermalen met veel paarden gepoogd, de steen te lichten en weg te trekken uit de loop van de beek. Het is echter nooit gelukt. De touwen en kettingen die om de steen waren bevestigd braken steeds of sprongen in stukken. De steen was niet weg te krijgen.

Wanneer er in heel de streek geen wind te bemerken is waait het bij de Catharinasteen nog altijd. Twee jongelui van Chevremont wandelden op een wolkenloze zomerdag die erg heet en zeer stil was, langs de Anselderbeek. Toen zij de steen passeerden, bevonden zij zich opeens in een rukwind. Terwijl de bomen wat verder langs de helling van de heuvel zich totaal niet bewogen, werd de strohoed van een van de wandelaars in de beek geslagen. Het mocht hem niet meer lukken die nog terug te krijgen. Dat moet meerderen zijn overkomen in ongeveer dezelfde omstandigheden.

Er liggen nog meer van die grote stenen in bedoelde beek. De studenten van Rolduc hebben daar een grapje op gemaakt. Van een van die stenen heet het ook, dat geen zeven paarden hem konden wegtrekken en dat de Fransen hem daarom zouden hebben laten liggen. Dit wordt gezegd met een bijbedoeling omdat de Fransen alles roofden, of zij het gebruiken konden of niet, en dus zou ook niemand anders hem kunnen meenemen en er evenmin iets mee kunnen doen.

De kwade eigenschappen van de steen worden er tenslotte door een monnik van Rolduc uitgehaald, waarna zij met het grootste gemak uit de beek wordt gehaald. Zij liggen nu nog steeds in het bos langs de beek ter hoogte van het trimparcours[2].

De stenen zijn genoemd naar Catharina van Alexandrië.

De Stutter

Deze legende verhaalt van een buitenlandse stutter werkzaam op de steenkoolmijn Wilhelmina.

In het begin van de ontginning werkte er een buitenlandse stutter. Helemaal alleen verricht hij drie maal zoveel werk als zijn collega's. Het vreemde is, dat hij tijdens het werk niemand in zijn nabijheid duldt. Wanneer zijn mede-arbeiders, die net als hij in akkoord werken, protesteren dat hij zoveel meer verdient als zij, besluit een opzichter deze vreemde man op de proef te stellen en zijn akkoordloon wordt verlaagd. Om geen verlies te lijden verzet hij daarna tien maal zoveel werk als zijn ploegmakkers. De opzichter wil nu wel eens zekerheid of hier niet de duivel in het spel is. Samen met een schietmeester verstoppen ze zich om de vreemde tijdens het werk te kunnen gadeslaan. Zodra de stutter even daarna verschijnt, loopt hij zonder omwegen naar de schuilplaats van de beide mannen en jaagt hen weg. Kort na dit incident is de stutter zonder enig spoor verdwenen. Het raadsel is nooit opgelost...

Duuëvelsjèsje

De anecdote met betrekking tot het Duuëvelsjèsje gaat over het ongeloof van een mijnwerker.

Tegen het algemeen besef in, gelooft een mijnwerker niet in de spokerij in het steegje. Om dit zichzelf (of zijn kameraden) te bewijzen gaat hij na de dienst via het steegje huiswaarts. Halverwege bemerkt hij dat hij niet voor- of achteruit kan. Hij krijgt het gevoel alsof er iemand op zijn rug zit en hem stevig omstrengeld houdt. Als hij om zich heen kijkt is er echter verder niemand in het steegje. Vermoeid gaat hij zitten. Na enige tijd krijgt hij zijn loopvermogen terug en is hij van zijn ongeloof genezen. Het Duuëvelsjesje heeft hij nooit meer van dichtbij gezien.

De Duivelsberg

Ailbert van Anthoing had reeds ten westen van de heuvel, waarop het slot van de graven van Saffenberg was gebouwd, de bossen gerooid voor het klooster. De fundamenten begonnen, voor de kapel, al boven de gelijken grond te rijzen. Toen de duivel, die wel begreep dat die plaats voor hem een oorzaak van onheil ging worden, besloot het bouwsel te vernielen. Hij trok naar de geweldige Sahara woestijn, tilde daar een van de grootste zandbergen op zijn schouders en ondernam de terugreis. Hij was al ver gegaan en had al menig land doortrokken en meende nu er toch wel ongeveer te zijn. Maar hij wist de weg niet. Daar zag hij broeder Thyemo, die langs het meertje waar de Saffenberg zich in spiegelde, heen en weer liep te lezen in zijn getijdenboek. Die zal mij wel de waarheid zeggen, dacht hij.

Hijgend van de geweldigen last riep hij: Hei monnik, Weet gij mij niet te vertellen, waar hier ergens het verblijf van priester Ailbert is? Broeder Thyemo, die wel zag met wie hij te doen had, meende te mogen antwoorden: Dat is nog zo ver, dat ik, om tot hier te komen, deze nieuwe sandalen heb versleten. Ik kom er vandaan, zowaar als er een heilige Maagd Maria in de hemel is. Ook die naam nog, raasde de duivel. Het is anders al mooi genoeg, zolang te hebben gelopen en dan nog zulk een verre weg voor zich te hebben. In een razernij wierp hij de zandberg zo hard in het kleine meer, dat de aarde er van schokte. Tot op heden heet die berg de Duivelsberg en is met niets dan heide bedekt. Er wil niets anders op groeien.

Halve Maan

In de tijd dat de oude St. Johannes de Doper kerk te Eygelshoven nog een heidense tempel was, kwamen de Turken daar ook. Zij plaatsten meteen een gouden Halve Maan op de torenspits. Het verhaal wil, dat deze gouden sikkel nog ergens in de schaduw van de kerk ligt begraven. Zij is echter tot op heden niet gevonden.

Jokvrouwe Kolveren

Jonkvrouwe Kolveren woont in een gegeven periode in het kasteel dat ligt in de Kolverenbeemde, een landelijk gebied tussen Eygelshoven en Rimburg. Na haar dood waarvan de oorzaak onbekend is, dwaalt zij tot op de dag van vandaag 's nachts als een vurige schim door dit gebied.

Bisschop Frederik van Luik

Bisschip Frederik van Luik is de opvolger van bisschop Otbert (Obbert) van Luik. Wanneer hij tot bisschop benoemd wordt, wordt hij verkozen boven aartsdiaken Alexander. Deze brengt een leger op de been om Frederik te stoppen, maar Frederik overwint hem en laat hem toezeggen nooit bisschop van Luik te worden. Wanneer Frederik overlijdt in 1121, sterft hij met een blauwe lichaamskleur en uitpuilende ogen. Velen denken dat hij vergiftigd is en dus een martelaarsdood gestorven is. Hij wordt begraven voor het kruisaltaar in de St. Lambertuskerk.

Nu wordt gezegd dat wanneer je ziek bent en lijdt aan verschillende kwalen, dat je dan beter wordt wanneer je water uit een beker drinkt waarin ook aarde zit uit het graf van deze Bisschop en Martelaar.

Verder

Referenties

Indien de bron van (delen van) bovenstaande informatie bekend is, is dit hier beneden vermeld.

  1. http://www.verhalenbank.nl/items/show/42720 dd 20171218
  2. 1Kerkrade dd 19-4-2017