Mijnbouw, Gezondheid

Algemeen

In het begin van de 20e Eeuw krijgt elke mijn een bedrijfsarts. Het is zijn primaire taak erop toe te zien dat eerste hulpverlening en de nabehandeling adequaat gebeuren. Daarnaast worden door hem ook keuringen uitgevoerd voor de indiensttreding en periodieke keuringen daarna. Op 7 januari 1952 wordt bij besluit van de Mijnindustrieraad een Silicosecommissie voor het Limburgse Mijngebied ingesteld. Deze heeft zich een aantal zaken tot doel gesteld:

  1. zich op te hoogte te houden van de geneeskundige kanten van het silicosevraagstuk;
  2. onderzoek te verrichten naar de bedrijfstechnische mogelijkheden deze ziekte tegen te gaan
  3. de sociale en rechtskundige kanten van dit probleem te bestuderen en eventueel maatregelen te treffen die in dit opzicht gewenst zijn.

Silicose

Voor de invoering van de Wet op de Arbeids Ongeschiktheid krijgen mensen die met een beroepsziekte als silicose de mijn verlaten krachtens de Ongevallenwet uit 1921 een hogere uitkering dan mensen die afgekeurd worden op grond van een algemeen voorkomende ziekte als bijvoorbeeld bronchitis. Omdat de mijnen dit extra deel zelf dienen te bekostigen worden artsen geïnstrueerd zo weinig mogelijk silicose als diagnose te stellen, maar hier alternatieven voor te bedenken. Op 25 april 1951 wordt de Silicosewet ingevoerd. Deze omvat regelingen betreffende het voorkomen en bestrijden van silicose en andere stoflongziekten. Vanaf nu wordt stofbestrijding op alle Nederlandse mijnen doorgevoerd.

Stofbestrijding

In 1954 wordt, als voortzetting van het voormalig Stoflaboratorium, het Stofinstituut van Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg opgericht. Dit verricht onderzoek naar de technische mogelijkheden van stofbestrijding. Als stofbestrijdingsmiddelen worden op dat moment bij het werk in gesteente gebruikt:

  1. Het nat boren van schietgaten en het afzuigen van stof bij het boren in opwaartse richting;
  2. het besproeien op de schietposten;
  3. het nat maken van het losgeschoten gesteente;
  4. verbeterde ventilatie op de steenposten;
  5. het strooien van calciumchloride in steengangen en galerijen;
  6. het gebruik van stofmaskers.

Men onderscheidt hierin steenstof en kolenstof. Bij de koolwinning worden stofvrije en natte afbouwhamers gebruikt. Sproeiers boven bandovergangen en laadkasten verminderen eveneens de stofvorming. De meest gebruikte methode is echter de waterfusie in de kool, waarbij het koolfront met water wordt geïnjecteerd.

De ziekte

Silicose is een ziekte waarbij de symptomen kortademigheid en benauwdheid optreden, veroorzaakt door celwoekering. Silicose ontstaat wanneer bepaalde kleine stofdeeltjes langdurig in grote hoeveelheden ingeademd worden. Deze kwartsstof (ontstaan uit een siliciumverbinding als bijvoorbeeld kiezel) dringt via de longblaasjes de lymfevaten rond de longen binnen. Het afweersysteem van het lichaam reageert hierop en produceert bindweefsel rond die longblaasjes. De hoeveelheid actief longweefsel neemt hierdoor af waardoor de ademhaling bemoeilijkt wordt. De ziekte komt veelvuldig voor bij oud-mijnwerkers. Deze ziekte heeft voor de oud-mijnwerkers nog een financieel staartje. Krachtens de ongevallenwet uit 1921 krijgt de patiënt (de mijnwerker) door de werkgever (de mijn) een uitkering. Van een aantal situaties is echter bekend dat de ziekte wel degelijk aanwezig is, terwijl de bedrijfsarts deze niet als zodanig erkent. Op dit moment (2002) is een landelijk discussie gaande met betrekking tot het toekenning van een extra bedrag voor de huidige silicosepatiënten. Deelnemers hieraan zijn de Socialistische Partij, Staatssecretaris Elske Ter Veld en de stuurgroep silicose bij oud-mijnwerkers van de provincie Limburg.