Mijnbouw, Pijlerbouw

Algemeen

Nadat de mijnmeters eerder de ligging van de kolenvelden hebben bepaald zoeken de ingenieurs uit, hoe de steenkool het beste benaderd kan worden en gaan de opzichters een akkoord aan met hun werkploeg. Men kan hier onderscheid maken tussen een persoonlijk akkoord en een groepsakkoord. Bij het opstellen van een akkoord moet men rekening houden met de ligging van de pijler (in verband met de hoogte is de ene pijler gemakkelijker af te bouwen dan de andere), de soort steenkool (de ene soort is bijvoorbeeld harder dan de andere), enzovoort. Bovendien worden afspraken gemaakt over de toegestane hoeveelheid stenen die zich tussen de gewonnen kolen mag bevinden. Voor de afbouw van een bepaald gedeelte krijgt men een maximale tijd aangewezen, waarbinnen het karwei geklaard moet zijn. Wanneer men aan het akkoord voldoet, volgt een bonus bovenop het loon, terwijl in het andere geval op het loon gekort wordt. Het feit, dat de opzichters premies uitgekeerd krijgen, naargelang de onder hen werkende arbeiders premies verdienen, zorgt in veel gevallen voor dictatoriale toestanden en het door de mijnwerkers gehaatte opjaagsysteem. Opzichters van de afdeling akkoord-controle klokken regelmatig alle handelingen met de stopwatch in de hand: van het plaatsen van de stutten tot en met de tijd die men nodig heeft voor sanitaire handelingen.

Pijlersoorten

In de laatste jaren van de Nederlandse steenkolenmijnbouw kan men onderscheid maken tussen drie verschillende soorten pijlers (lokale benaming: sjtreeb). Allereerst kent men de zogenaamde handpijler, waar op orthodoxe wijze de kool handmatig wordt afgebouwd met behulp van een na 1920 in gebruik genomen door perslucht aangedreven afbouwhamer. Een door luchtdruk aangedreven boorpin wordt met kracht op de koolwand geplaatst, waarna door de schokkende bewegingen de brokken steenkool los komen. Ook het aanbrengen en verplaatsen van de ondersteuningen moet handmatig gebeuren. Hierbij kan men nog onderscheid maken tussen een schuifpijler, waar het transportmiddel in zijn geheel wordt omgeschoven naar een nieuw pand en de omlegpijler, waar dit transportmiddel in het oude pand wordt gedemonteerd en in het nieuwe pand opnieuw wordt opgezet. De handpijler wordt in bovenstaande beschrijving van de afbouw als voorbeeld genomen. In de half-mechanische pijler gebeurt het ontkolen en het verplaatsen van het transportmiddel op mechanische wijze, terwijl de ondersteuningen handmatig moeten worden geplaatst en verplaatst. Tenslotte kent men de volmechanische pijler, waar, bij de winning, geen arbeiders nodig zijn.

Pijlerafbouw

De afbouw van een pijler wordt gestart door aan de uiterste grens ervan een strook kolen weg te halen. Hierdoor ontstaat een zogenaamde doortocht, een gang tussen twee galerijen, waarin het gehele kolenfront vrij komt te liggen. (Denk hierbij bijvoorbeeld aan de werkwijze van een boer die eerst aan een zijde van zijn korenveld een strook handmatig afmaait om zodoende ruimte te creeren voor zijn maaimachine). Haaks op deze eerste aangelegde gang begint men met de ontkoling van het front. Hiervoor is de ochtendploeg verantwoordelijk. Meestal knielend of liggend (de kolenlagen zijn doorgaans niet erg hoog) beginnen de houwers met de afbouw. Achter hen wordt een schudgoot aangelegd. Dit is een transportband zonder eind, die de kolen vanaf de pijler vervoert naar de plaats waar ze per wagen verder naar de schacht worden getransporteerd. Telkens wanneer de houwer een hoeveelheid kolen uit het front heeft weggeboord, schept hij deze achter zich op de schudgoot, die voor een continue afvoer zorgt. Naarmate men vordert wordt een voorlopige betimmering aangebracht om het plafond te steunen. De taak van de middagdienst is, de transportband dichter bij het front te plaatsen (achter de houwers is immers een ruimte vrij gekomen) en verder draagt ze zorg voor het aanbrengen van de definitieve stutten. Hiervoor worden in het begin geweldige massa's hout gebruikt. Later worden de houten stutten vervangen door ijzeren binten, die echter als nadeel hebben dat ze de mijnwerkers niet door waarschuwend gekraak attent kunnen maken op het gevaar voor instorten van het plafond bij onvoldoende stutten. De nachtdienst tenslotte is verantwoordelijk voor het opvullen van de vrijgekomen ruimte achter de schudgoot, de zogenaamde oude man. De meest toegepaste en eenvoudigste methode is het roven: het stelselmatig wegtrekken van de stutten, waardoor men de zaak pand voor pand laat instorten. Men moet hierbij uitermate voorzichtig te werk gaan, want behalve het risico van persoonlijke ongelukken loopt men de kans, dat de boel verder instort dan aanvankelijk de bedoeling is. Bovendien is deze methode niet bevorderlijk voor de mijnbouwschade bovengronds. Verzakkingen ondergronds hebben namelijk ook hun uitwerking in de hoger gelegen lagen, tot zelfs boven de grond, waardoor deze verzakkingen schade ontstaan aan gebouwen: gescheurde muren, verzakte funderingen, etc. Bij het vullen of blazen van een pijler bereikt men een zakking van 50% van de opening, bij het roven (breukpijler) bedraagt de zakking 90%. Jaarlijks moeten de mijnondernemingen aanzienlijke bedragen uitkeren ter vergoeding van de schade die hierdoor is ontstaan. Doelbewust tracht men in bepaalde gevallen mijnschade te voorkomen, bijvoorbeeld wanneer het gaat om historische gebouwen of vitale delen van de mijn zelf. Daartoe gaat men over op het opvullen van de vrijgekomen ruimten. Men kan elders losgeschoten stenen hier inbrengen, of de zaak blazend vullen. Hierbij zit een mijnwerker aan de loop van een schietbuis van een soort kanon, waarmee onder hoge druk kolen- en steengruis tegen de wand wordt vastgeschoten. Al blazend ontstaat in die ruimten een compacte nieuwe vulling, die verzakkingen aanzienlijk beperkt.

Gerlachtechniek

Deze voorloper van de wandelende steunen zorgt er in de steenkoolindustrie voor dat het galerijdak horizontaal onderteund wordt terwijl er toch geen steunen direct langs het steenkoolfront staan.