Mijnbedrijf

(Doorverwezen vanaf Staatsmijn)

Algemeen

Coll.hgmns.mijnafbraak.jpg

De mijnbedrijven in Kerkrade en (voormalige gemeente) Eygelshoven, zijn te scheiden in particuliere mijnen en staatsmijnen. Daarnaast is een aantal mijnen in een bepaalde periode ook in eigendom van zogenaamde Kolergezelschappen. Alle vormen worden in het hiernavolgende beschreven. De mijnbedrijven worden rond 1970 van de vorige eeuw gesloten.

Mijn Van Tot Soort Productie (ton) Schachten Diepte (m.) Opmerking
Wilhelmina 1906 1969 Staatsmijn 59.235.000 2 823 .
Hammijn 1862 0000 Particulier 0000 2 0000 .
Domaniale Mijn 0000 1971 Particulier/Staatsmijn 0000 0000 802 .
Julia 1922 1974 Particulier 31.963.000 2 568 .
Neu Prick 1838 1904 Particulier 0000 0000 0000 .
Willem-Sophia 1860 1970 Particulier 22.678.000 5 651 Productiegegevens: van 1902 tot 1970

Mijnsluiting

In 1965 wordt de sluiting van de mijnen aangekondigd, daar andere energiebronnen goedkoper en schoner zijn. In 1966 worden de sluitingen gestart met de Domaniale Mijn. Op dat moment zijn er in deze mijn 2585 werknemers. Vrijwel elke mijnwerker wordt herplaatst. Dit kan omdat dit de eerste mijn is die dichtgaat. De werknemers van de volgende mijnen zullen minder snel herplaatst kunnen worden. De laatste mijn die gesloten wordt is de Julia in Eygelshoven in 1974.

Mijnonderdelen

Staatsmijn

Dit is de benaming van een categorie mijnen in Limburg tussen 2 mei 1902 en October 1993.

Algemeen

Steenkool.jpg

Deze zijn eigendom van de staat. Dit zijn: de Maurits (Geleen), de Emma (Hoensbroek), de Hendrik (Brunssum), de Beatrix (Vlodrop) en de Wilhelmina (Terwinselen). De Staatsmijnstraat is naar deze mijnen genoemd. De Dienst der staatsmijnen opent in Mei 1902 voor het eerst haar deuren in Heerlen in het toenmalige postkantoor. Tussen december 1945 en december 1955 heeft de Staatsmijnen haar eigen informatieblad: Steenkool.

Fb-20151021-mijnwerker-petertrompetter-2.jpg

In 1952 bestaan de Staatsmijnen 50 jaar. Bijgelegenheid daarvan wordt een mijnwerkersbeeld onthuld, aangeboden door de mijnwerkers aan de Directie. Dit beeld wordt in 2015 verplaatst naar het Museumplein. De oorspronkelijke lokatie is vooralsnog onbekend.

Geschiedenis

1898-1901

Behalve particuliere ondernemingen begint ook de staat brood te zien in de ontginning van het Zuid-Limburgse steenkoolbekken. Bovendien waarschuw de Limburgse priester-afgevaardigde en professor te Rolduc mgr. dr. W. Nolens in 1898 in de Tweede Kamer voor een complete annexatie van Limburg door buitenlandse concessiehouders. Op voorspraak van hem wordt op 23 augustus 1900 (andere bronnen vermelden het jaar 1899) een staatscommissie voor de mijnen ingesteld. Deze moet de omvang van de nog beschikbare kolenvelden in Limburg onderzoeken en bekijken of het zinvol is deze velden van staatswege te exploiteren. Verder moet zij adviseren over hoe het overblijvende gedeelte kan worden verdeeld ter ontginning door particulieren. Binnen een jaar brengt de commissie rapport uit. Het wetsontwerp van Minister van Waterstaat, Handel en Verkeer ir. C. Lely dat er op volgt, stelt voor het gehele gebied voor kolenwinning, dat nog niet aan particulieren is uitgegeven, te bestemmen voor staats-exploitatie. Vooral vanuit Duitsland komt er een golf van protesten tegen het voornemen van de Nederlandse staat om mijnen in staatsbeheer te gaan exploiteren. Ook vanuit Limburg zelf wordt krachtig aangedrongen op verwerping van het wetsontwerp en men pleit voor een spoedige toewijzing van nog hangende concessie-aanvragen aan particuliere ondernemingen. Dagblad De Limburger schrijft hierover: Wij zien in den Staat geen volmaakte, en wij wenschen zijn hulp dan ook slechts in te roepen als laatste en eenige redmiddel en slechts voor zoolang deze noodzakelijk is. Ondanks alle protesten wordt de wet op 21 juni 1901 door de Staten-Generaal aangenomen en hiermee wordt de mogelijkheid uitgesloten van andere dan de reeds verleende particuliere exploitatie in het Limburgse mijnland.

1902-1918

Op 2 mei 1902 wordt de uitsluitend door de staat gefinancierde onderneming Staatsmijnen in Limburg opgericht. Bij een Koninklijk Besluit van 15 februari 1902 (later vervangen door het K.B. van 1913 en later nog herhaaldelijk gewijzigd) wordt bepaald hoe het beheer der Staatsmijnen onder de bevelen van de betrokken minister moet worden uitgevoerd. Per 1 mei 1902 wordt dhr. Henri Jonas Eduard Wenckebach, directeur van de Noord-Ooster Locaal Spoorweg Maatschappij te Zwolle, benoemd tot Directeur-Generaal van de Staatsmijnen in Limburg. In datzelfde jaar wordt ook bepaald, dat Staatsmijnen en particuliere mijnen onder controle van Staatstoezicht komen: de Inspecteur-Generaal (hoofdingenieur) der Mijnen.

1919-1969

Na jarenlange onderhandelingen over de verdere ontginning zijn het bestuur van de Domaniale Mijn en Nederlandse Staat in 1919 overeengekomen, dat de mijn verder onder beheer van de Staatsmijnen zal worden geëxploiteerd. De Aken-Maastrichtse zal royaal schadeloos worden gesteld. De aandeelhouders beslissen echter anders. De overgrote meerderheid van de aandelen is in Duitse handen en zonder medeweten van de andere aandeelhouders opgekocht door de heren Van der Vorm en Knottenbelt, die in verbinding staan met de Steenkolen- en Scheepvaart Maatschappij. De Rotterdamse firma, een belangrijk importeur van hoofdzakelijk Engelse kolen, neemt de pachtovereenkomst met alle daaraan verbonden verplichtingen zonder meer over. De Aken-Maastrichtse is beheerder af. Nog geen twee maanden na de overname ontstaan problemen over de volstrekt onredelijke pacht. Omdat de regering niet van plan is de overeenkomst aan te passen, kondigt de directie van de mijn in 1921 een loonsverlaging aan van maar liefst 35%. Op 31 juli legt het personeel het werk stil, hetgeen het startsein is voor de langste staking in de geschiedenis van de Limburgse mijnbouw. Pas in Mei 1925 komt na moeizame onderhandelingen een gewijzigd pachtcontract tot stand. Een maand later wordt de naam Aken-Maastrichtse Spoorweg Maatschappij omgezet in Domaniale Mijn Maatschappij N.V.. Vanaf 1966 is de Nederlandse Staat weer de belangrijkste aandeelhouder en tussen 1966 en 1969 staat de mijn onder leiding van de Staatsmijnen. Hoewel de kolenvoorraad naar schatting zou moeten reiken tot 1982, wordt in 1967 besloten de mijn te sluiten. De laatste kolen worden in Augustus 1969 opgehaald.

Naamgeving

De Staatsmijnen zijn bekend onder de verzamelnaam Der Sjtaat, waarin men echter in het bijzonder doelt op de oudste Staatsmijn, de Wilhelmina. De Hendrik te Brunssum wordt (naar haar bouwstijl) ook wel de Boerderij genoemd, terwijl de Maurits bekend staat als de Nuuj Koel. De Oranje-Nassaumijnen worden vaak enkel bij hun nummer genoemd, terwijl elke mijn afzonderlijk weer een eigen bijnaam heeft: Oranje-Nassau I word lange tijd de Heelesje Koel genoemd (de Mijn van Heerlen), de Oranje II staat bekend als de Carl en de Sjeeter Koel (Scheydt is de oude naam voor Schaesberg), de Oranje III heet Op gen Hei en de Oranje IV Op der Hekseberg vanwege haar ligging bij de gelijknamige heuvel.

Het vervolg

De Staatsmijnen richten Macintosh Confectie in Stein in voor de tewerkstelling van mijnwerkersdochters. Na 1978 wordt de eigen produktie gestaakt en ontwikkelt de Mac zich tot winkelconcern (Superconfex, Kwantum, Halfords). In October 1993 verkoopt DSM haar laatste aandelen.

Particuliere Mijnen

Dit zijn onder andere de Oranje Nassau mijnen (O.N. I te O.N. II te Schaesberg, O.N. III te Heerlerheide en de O.N. IV op de Heksenberg). Binnen de scope van deze encyclopedie vallen de Laura en de Julia te Eygelshoven en de Domaniale Mijn, Neu Prick en de Willem-Sophia te Kerkrade.

Kolergezelschappen

Tot omstreeks 1750 hebben verenigingen van mijnontginners, de zogenaamde kolergezelschappen, de mijnen geëxploiteerd.

Enkele gezelschappen zijn: het Prick-kolergezelschap, het Hankepank-kolergezelschap, het Bostrop-kolergezelschap, het Krehaen-kolergezelschap en het Sinter Klaas-kolergezelschap. Deze ondernemingen kopen het ontginningsrecht van de abdij Rolduc en moeten daarvoor een gedeelte van de opbrengst aan de abdij afstaan.

Locaties

Verder