Woningbouw

Algemeen

De 20e eeuw

De Oostelijke Mijnstreek is tot het begin van de 20e Eeuw een dunbevolkt gebied. Kerkrade, Heerlen, Brunssum en Sittard zijn vrij onbeduidende dorpjes met een kerk, een marktplein en enkele straatjes. Naast enkele kloosters vindt men er alleen boerenbedrijfjes. De bevolking werkt gedurende de zomer en het najaar veelal in het Duitse grensgebied in seizoensarbeid. Van het gespaarde geld moet men zien te overwinteren. De grootste plaatsen in de regio zijn in die tijd Heerlen en Kerkrade, die op 1 januari 1900 respectievelijk 6358 en 9389 inwoners hebben. Spoedig wordt dit gebied overrompeld door de grootindustrie van de mijnbouw.

De duizenden benodigde arbeiders moeten veelal van buiten de regio en zelfs uit het buitenland komen. De aanvankelijk sterk afwijzende houding van de lokale bevolking ten opzichte van de mijnwerkers kan verklaard worden uit het feit dat veel 'gastarbeiders' een crimineel verleden hebben. Bovendien bezitten zij een schier onlesbare dorst. Overal in de buurt van een mijn schieten de cafe's als paddestoelen uit de grond. Het aantal Heerlense cafe's stijgt tussen 1905 en 1913 van 19 tot 71. Om ervoor te zorgen dat er nog wat huishoudgeld over blijft, worden veel mannen door hun vrouw van het werk afgehaald.

1600

Rond 1600 bestaat de bebouwing van Kerkrade uit de kastelen 's Herenanstel, Erenstein, de abdij Kloosterrade, enkele grote hoeves en voor de resterende inwoners, lemen vakhuizen die omwille van de warmte niet al te groot zijn. Centraal in zo'n vakhuis staat de huiskamer die tevens slaapkamer en keuken is. Andere vertrekken hebben de functie van dierenstal en voorraadvertrek. De huizen worden gebouwd op een fundering van vuursteen die vrijwel onverslijtbaar is. Tot 1620 bestaat de afvoer van rook uit het openzetten van een zolderluik. Vanaf 1620 zien we de eerste schoorstenen. Hierover dient aan de lokale overheid belasting betaald te worden. De gebruikte stenen dienen zelf gebakken te worden. De vloer van de huizen wordt nog niet van steen gemaakt maar van aangestampte leem. Vaak wordt deze vloer opgesierd met witte kiezelstenen die in motieven belegd zijn.

Mijnwezen

De directies van de bruinkoolgroeves laten ten behoeve van de huisvesting van de vaste ploegen grondwerkers kampen van polderketen aanleggen naast de wingebieden. Aan het hoofd van elke ploeg staat een keetbaas, wiens vrouw verantwoordelijk is voor de verzorging van de arbeiders. Het aantal beschikbare woningen blijft te gering en al snel worden kamers en zelfs bedden verhuurd door particuliere huiseigenaars en kroegbazen. Grote gezinnen, die zelf vaak alleen de beschikking hebben over een, twee of drie kamers, nemen in die tijd nog vaak enkele kostgangers op om zodoende in hun kosten te kunnen voorzien. Vader en moeder slapen vaak met drie of vier kinderen in een bed bij elkaar en ook is het niet ongewoon dat de kostgangers in datzelfde vertrek hun nachtrust vinden. Ook de bedden zelf draaien vaak 'sjiegten'. Als de ene ploeg aan het werk is, ligt de andere in bed, terwijl een derde alweer staat te wachten om de slapers af te lossen. Dit samenwonen van gezinnen met ongehuwden is een doorn in het oog van de Kerk en de burgerij. De vereniging Ons Limburg, waarnaar de Ons Limburgstraat genoemd is, start derhalve in 1915 met de bouw van gezellenhuizen. Alle ongehuwde arbeiders worden min of meer verplicht hier hun intrek te nemen. In de woningen van Ons Limburg wordt door middel van intensieve controle op onderverhuur streng de hand gehouden aan de bepalingen omtrent het houden van kostgangers.

Rond de eeuwwisseling stijgt het aantal mijnwerkers explosief: in 1895 telt men er nog slechts 424, in 1910 zijn dat er al 6600. In 10 jaar tijd is de bevolking van de mijnstreek met 20.000 toegenomen. Om de toevloed van mijnwerkers te kunnen huisvesten worden nieuwe wijken uit de grond gestampt. De zogenaamde mijnkolonies groeien vooral in Heerlen uit tot kleine dorpjes met een eigen onaantastbare kern en een hechte gemeenschap: Welten, Meezenbroek, Molenberg, Leenhof, de Vrank, Beersdal. De dorpjes groeien langzaam uit tot grote en middelgrote steden. De woningbouw houdt echter geen gelijke tred met de groeiende inwonersaantallen. Directeur van der Elst van de Domaniale Mijn heeft in zijn tijd al een bouwfonds in het leven geroepen voor de huisvesting van mijnwerkers en hun gezinnen. De huisvesting betreft hier echter slechts twintig gezinnen. In 1911 richt dr. Poels met hulp van de Staatsmijnen en enkele kapitaalkrachtige particulieren de centrale van woningbouwverenigingen 'Ons Limburg' op. Verbeterde huisvesting moet de arbeider tevredener maken en gelukkiger, waardoor hij minder toegankelijk zal zijn voor het socialisme. In 1912 wordt de 'N.V. Tijdig' opgericht om de bij de centrale aangesloten woningbouwverenigingen goedkoop aan bouwgrond te helpen. Om de produktie en levering van bouwmaterialen in eigen beheer te kunnen houden komt men in 1915 tot de oprichting van 'Onze Industrie'.

Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog stijgt de woningnood dermate, dat de woningbouwverenigingen van dr. Poels, noch de socialistische woningbouwverenigingen, aan de vraag kunnen voldoen. Alleen de mijnen, vooral de Oranje-Nassau mijn, bouwen arbeiderswoningen in zogenaamde kolonien, zoals die aan de Heerlerbaan, welke rond 1920 wordt gebouwd en de wijk Hopel, die tegenwoordig op de monumentenlijst staat. Ook wordt in die tijd de grootste arbeiderswijk van Nederland gebouwd: Treebeek tussen Staatsmijn Emma en Staatsmijn Hendrik. De boeren zijn minder gelukkig met deze ontwikkelingen: de mijnbouw, de ontsluiting van het mijngebied en de grootschalige woningbouw vergen honderden hectaren vruchtbare landbouwgrond.