Avonturen in het land van Rode/Wat deed Baltus?

< Avonturen in het land van Rode
Versie door Kgv (overleg | bijdragen) op 2 mei 2017 om 16:31 (Created page with "{{IndexIHLVR}} 11 Wat deed Baltus? Baltus stond beneden bij de vijver. Hij moest een gat in het ijs hakken om de voor het middagmaal benodigde vis te kunnen bemachtigen. Leu...")
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Avonturen in het land van Rode




11 Wat deed Baltus?

Baltus stond beneden bij de vijver. Hij moest een gat in het ijs hakken om de voor het middagmaal benodigde vis te kunnen bemachtigen. Leunend op zijn grote bijl, tuurde hij voor zich uit. Hij dacht aan zijn oom, Chris Stevens. Jammer, dat hij hem niet had kunnen redden en vader ook geen kans gezien had om hem uit de gevangenis te bevrijden. Toch koesterde Baltus nog altijd een beetje hoop. De klok had immers nog niet geluid, dus het was nog altijd mogelijk, dat vader een poging gewaagd had en deze met een goede uitslag bekroond geworden was.

Hij hoorde stemmen. Baltus schrok op uit zijn gepeins, keek omhoog naar de kloosterpoort en zag, dat drie mannen de abdij verlieten. O, daar hoorde hij het al. Het waren de jagers, die uittrokken om de bossen te controleren en om, waar het nodig bleek, de voederkribben voor het wild met vers hooi te vullen. Pitter, wiens been slechts langzaam genas, was er niet bij. Baltus had plezier, dat oom Chris dien kerel zo'n gevoelige trap gegeven had. Was die Nand er maar niet geweest, dan was alles anders gelopen. - - -

Bim, bim, bim. - - -

De doodsklok van 's Hertogenrade klepte. Akelig klonk dat gelui door de stille wintermorgen. Baltus huiverde. Nu werden de veroordeelden naar de galg gebracht en weldra zou er een einde aan hun leven komen. Zouden er veel mensen zijn, die het schouwspel wilden zien? Baltus dacht van wel. Hij had het reeds verschillende keren meegemaakt, dat zo'n terechtstelling de hele omtrek op de been bracht. Dus was toch alles vergeefs geweest. Een hevige woede greep den jongen aan. Wreken zou hij zijn oom. Niemand anders als Nand Doveren zou daarvoor moeten boeten. Hij greep zijn bijl en dreef haar met zo'n geweldige slagen in het ijs, dat de ijssplinters hem in het gezicht vlogen. Wild hakte Baltus verder en spoedig had hij een bijt van enige vierkante meters.

Hijgend leunde hij op de steel. Tranen van spijt en machteloosheid drupten in de smoezelige sneeuw aan zijn voeten. Baltus balde de vuist tegen de donkere kloostermuren en dreigde met schorre stem:

‘Wacht maar, jij schurk. Boeten zul je voor oom Chris. Ik zal je wel weten te vinden!’

Baltus schrok op. Hoorde hij daar geen voetstappen? Daar kwam iemand door het bos. De jongen greep zijn bijl met beide handen vast, gereed om zich te verdedigen. Mét zag hij, dat het zijn vader was, die hem wenkte te komen. De bijl achter zich aan slepend, liep Baltus het bos in.

‘Hoe is het vader? Zijn ze terecht gesteld!’

[p. 59]


‘Ja, jongen. Een monnik van de abdij bereidde ze voor op de dood en begeleidde hen naar de galg. Ik ben weggegaan, want ik kon het niet aanzien. Is die Nand nog altijd in het klooster? Jammer, dat die Koorheer kwam. Daardoor is hij er nog genadig afgekomen. Ontsnappen zal hij niet. Probeer jij nu uit te vinden, Baltus, wanneer hij buiten het klooster moet werken. Dan is hij er voor goed bij en we zullen dan ons werk beter doen, jongen.’

‘Vader, vooreerst is daar weinig kans op. De abt heeft hem werk gegeven in de abdij. Hij moet Most, den steenhouwer, helpen en blijft dus voorlopig veilig binnen. Ik zou het haast vergeten, vader. Gisteravond heeft iemand een papier aan de poort gespijkerd met de eis den Kromme los te laten, anders zou er wraak genomen worden. De abt heeft nu naar aanleiding van die bedreiging bevolen, dat Nand niet buiten de poort mocht. Weet jij iets van dat plakkaat af, vader?’

‘Ha, ha, ha - - -, Baltus! Dat hebben ze goed gesnapt. Natuurlijk jongen, ik heb dat gedaan. Dit is mijn laatste poging geweest om de kameraden te redden. Het heeft niets geholpen en nu is de wraak aan ons. Baltus, mijn jongen, je moet me helpen, hoor,’ fluisterde de man hees.

Daar knarste de grendel van de kleine poort der abdij. De keukenbroeder kwam met een grote mand, waarin een schepnet lag, de tuin in om vis te vangen.

Baltus zei zijn vader haastig goede dag. Deze laatste verdween in gebogen houding in het struikgewas en Baltus ging, onverschillig fluitend, terug naar de vijvers, waar hij gelijk met den broeder bij de bijt kwam. Deze zette de korf neer en zwijgend gingen beiden aan het werk. De broeder legde het visgerei in het donkere water. Hij strooide korstjes wittebrood, terwijl Baltus de steel van het net stevig met twee handen vast hield om onmiddellijk te kunnen ophalen, zodra de vis naar het aas hapte. Hup, daar ging het net omhoog en een zevental flinke karpers spartelden in de trechtervormige zak. Na een half uurtje hadden ze genoeg gevangen. Baltus hielp den broeder dragen tot aan de keukendeur, waarna hij in de koestallen de wanden ging witten.

's Avonds werd de terechtstelling natuurlijk druk besproken. Nand zat naast Baltus. Hij vroeg aan den jongen, of hij nog bijzonderheden had gehoord over het geval. Maar die schudde van neen en vroeg, om verder hinderlijk vragen te voorkomen, wat Nand die dag uitgevoerd had. Nand vertelde hem van zijn werk en voegde er aan toe, dat zij de volgende dag een nieuwe sluitsteen moesten plaatsen in de boog van het derde raam aan de epistelkant. Die steen was losgeraakt en reeds enige centimeters naar beneden gezakt.

‘Ik heb het steigerwerk al klaar, Baltus. We kunnen morgen-

[p. 60]


vroeg onmiddellijk aan de slag.


illustratie

‘Nand, heb jij verstand van steigers bouwen?’

‘Ja, zeker. Dikwijls heb ik dat thuis moeten doen, als een of ander op de boerderij hersteld moest worden. Trouwens Most heeft mijn werk eens bekeken en hij vond, dat het goed was.’

Baltus kneep zijn ogen tot een spleet. Dat was een gelegenheid om dien opschepper 'ns een hak te zetten. Wacht, jongen, een pracht idee. Niks laten merken en vannacht, als ie slaapt, het plan stiekum uitvoeren.

Nog een paar uur zaten ze bij elkaar en luisterden naar het verhaal van den gebochelden, bijgelovigen paardeknecht. Die vertelde iets om er echt van te griezelen.

‘Nou, lieve lui, de zielen van zulke schurken moeten rusteloos ronddolen over deze aarde, zolang de wereld bestaat. Ze spoken rond in de streek, waar ze hun misdaden gepleegd hebben. Daar dwalen ze in de nacht langs de huizen en ze zijn een bedreiging voor de mensen. Jullie hebben allemaal wel eens gehoord van de ontploffing in onze kolenmijnen. Dan zijn zij op bevel van satan in de boorputten gekropen. De mijnwerkers zien ze als grijze vlammen door de gangen sluipen. Dat is het teken, dat die zwarte zielen verderf brengen. De mannen vluchten, maar meestal is het geheimzinnig vuur veel sneller, achterhaalt en grijpt hen met zijn hete klauwen, waardoor de arme kerels versmachten en verkolen in de duistere mijngangen. En als de rampzalige geesten op hun weg naar buiten langs de verkoolde lijken zwerven, dan klinkt een schril duivels gelach door de zwarte gangen. Als een gillend geluid snerpt het door de schachten naar boven. Zij, die dan staan te wachten, weten, dat hun dierbaren niet meer tot de levenden behoren en dat zij verslonden zijn door de gloed van den satan. Let maar eens op, mannen, die drie schurken brengen onheil over onze streek. Hun zielen waren nu nog rond de lichamen, maar, zodra deze begraven zijn, beginnen ze hun onzalig werk. Let eens op mijn woorden!’

De verteller zweeg. Het bleef een tijdje stil in het vertrek. Hoog in de schouw zoefde de wind. Een naar beneden vallende

[p. 61]


roetschilfer deed de mannen met een ruk opkijken.

Pitter rekte zich. Zijn stoel kraakte. Hij zei lachend tegen den paardenknecht:

‘Zeg, jij zou kleine kinderen bang maken met je spookgeschiedenissen. Ik denk toch niet, dat jij zo'n onzin gelooft? Of wel?’

‘Nou, Pitter, jij weet toch ook, dat we voor den boze op onze hoede moeten zijn. Is 't niet?’

‘Zeker, man, maar laat jij de doden nu maar met rust en haal geen dwaze dingen in je hoofd, anders slaap je vannacht niet rustig en begin je al te rillen, als er een muis door de paardenkrib loopt. Kom, jongens, we gaan naar bed. Tot morgen en wel te rusten....’

Baltus spande zich in om wakker te blijven. In het warme bed overviel hem de slaap. Maar neen, niet toegeven. Hij moest zijn duivels plan uitvoeren. Middernacht had het al geslagen op de oude toren en duidelijk had hij de horen van de nachtwacht van 's Hertogenrade twaalf keer gehoord. Uit het andere bed klonk een zacht gesnork. Nand sliep vast.

Zacht gleed Baltus uit zijn bed, pakte een paar kledingstukken en sloop op zijn tenen de deur uit. Op de gang stond hij met ingehouden adem te luisteren. Alles bleef stil. Vlug kleedde hij zich aan, greep de leuning en daalde de trap af, om op de tast verder door de donkere gangen te sluipen. Maar hij was al zolang in de abdij, dat hij wel goed terecht kwam.

Hij had de kerkdeur bereikt, die met een zware smeedijzeren grendel gesloten was. Met twee handen schoof hij hem zacht weg en opende de deur.

Een ogenblik bleef Baltus op de drempel staan en keek naar het priesterkoor, waar rustig in het rode glaasje het vlamke van de godslamp pinkte, en een zachte lichtkrans het metaal van de lamp rood kleurde.

Onwillekeurig doopte Baltus zijn hand in het wijwater en sloeg een kruis. Hij dacht een ogenblik na. Nu kon hij nog terug. Het was toch misdadig Nand zo'n poets te bakken. Neen, niet terug! Wraak nemen, vooruit! Hij liep vlug naar de plaats waar de steiger stond, haalde een vlijmscherp mes uit zijn zak en sneed de touwen op verschillende plaatsen half door, 'n werk van enige minuten. Hij stak het mes weer zorgvuldig weg en maakte, dat hij weer gauw in het bed kwam. Baltus was tevreden over zichzelf, omdat hij hem dat zo fijn gelapt had.